De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een kliniek die verdacht werd van het oplichten van zorgverzekeraars door spataderbehandelingen als duurdere dagbehandelingen te declareren terwijl in werkelijkheid goedkopere poliklinische behandelingen werden verricht.
Tijdens de zitting op 6 februari 2020 werd vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode niet zonder meer duidelijk was wat onder dagbehandeling moest worden verstaan. Bovendien waren er sterke aanwijzingen dat meerdere zorgaanbieders op vergelijkbare wijze declareerden en dat deze praktijk door zorgverzekeraars werd gedoogd.
De rechtbank oordeelde dat het vereiste oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling niet wettig en overtuigend was bewezen. Zowel de officier van justitie als de verdediging concludeerden tot vrijspraak. De rechtbank sprak de kliniek en haar feitelijke leidinggever dan ook vrij van de tenlastelegging.
De tenlastelegging betrof een periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011, waarin declaraties van in totaal bijna 1,84 miljoen euro aan zorgverzekeraars waren ingediend. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijkheid over declaratiepraktijken en het ontbreken van bewijs voor opzet of bedrog in deze zaak.