De officier van justitie verzocht op 10 februari 2020 om verlenging van een op 7 februari 2020 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die verblijft in een psychiatrische instelling. De rechtbank hield een mondelinge behandeling op 11 februari 2020 waarbij betrokkene en zijn advocaat aanwezig waren, evenals een verpleegkundig specialist van de instelling. De officier van justitie was niet aanwezig.
Uit de stukken en de zitting bleek dat betrokkene mogelijk delirant is door een urineweginfectie en somatisch lijdt, is rolstoelafhankelijk en probeert op te staan wat schade kan veroorzaken. Hoewel zorg noodzakelijk is, oordeelde de rechtbank dat het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel niet voldoende kon worden toegeschreven aan een psychische stoornis zoals een delier.
De rechtbank wees het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel daarom af en verwees ter verduidelijking naar de mogelijkheden van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) om verplichte zorg te bieden. Tegen de beschikking staat cassatie open.