ECLI:NL:RBROT:2020:2092

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 februari 2020
Publicatiedatum
10 maart 2020
Zaaknummer
C/10/590687 / JE RK 20-317 en C/10/590685 / JE RK 20-316
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij zus

De kinderrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 21 februari 2020 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn zus te verlengen tot 30 april 2020. Dit besluit volgt op een eerdere beschikking van 31 januari 2020 waarbij de minderjarige voorlopig onder toezicht werd gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend.

De minderjarige verblijft bij zijn zus omdat hij niet terug kan en wil naar zijn ouders, die aangeven de opvoeding niet meer aan te kunnen. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzetten zich niet tegen de verlenging, hoewel de minderjarige zich niet aan alle bijzondere voorwaarden houdt, zoals het volgen van onderwijs. De moeder en vader verzetten zich eveneens niet tegen het verzoek.

De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De behandeling van het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling wordt aangehouden tot 16 april 2020, zodat de Raad een definitieve rapportage kan aanleveren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verhoor van betrokkenen staat gepland op genoemde datum.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij zijn zus wordt verlengd tot 30 april 2020.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaakgegevens: C/10/590687 / JE RK 20-317 en C/10/590685 / JE RK 20-316
datum uitspraak: 21 februari 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van
hvertegenwoordigd door de officier van justitie,
hierna te noemen de officier van justitie,
betreffende
[naam kind], geboren op [geboortedatum kind] 2003 te Curaçao, hierna te noemen [naam kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder], hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats moeder] ,
[naam vader], hierna te noemen de vader
wonende te [woonplaats vader] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam zus], hierna te noemen de zus,
wonende te [woonplaats zus].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 31 januari 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de schriftelijke bevestiging van de officier van justitie van 3 februari 2020 van het mondelinge verzoek van de officier van justitie van 31 januari 2020.
Op 21 februari 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de minderjarige [naam kind] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,
- de moeder,
- de vader,
- de officier van justitie, mr. S.M. Scheer,
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mw. [naam vertegenwoordigster 1],
- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), mw. [naam vertegenwoordigster 2].
De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

Het aangehouden verzoek

De officier van justitie verzoekt de uithuisplaatsing van [naam kind] bij de zus voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 30 april 2020.
De officier van justitie handhaaft ter zitting het verzoek. Het gaat goed met [naam kind] bij de zus. Hij houdt zich echter niet aan de gestelde schorsingsvoorwaarden.

De standpunten

De Raad verzet zich ter zitting niet tegen het verzoek van de officier van justitie. Het raadsonderzoek is gestart en dat zal vóór de afloop van de voorlopige ondertoezichtstelling gereed zijn.
De GI verzet zich ter zitting niet tegen het verzoek van de officier van justitie. Het verblijf van [naam kind] bij de zus verloopt oké. [naam kind] houdt zich echter niet aan de bijzondere voorwaarden, zoals het volgen van onderwijs. Op de dagen dat hij geen stage loopt dient hij zich op school te melden. [naam kind] doet dit niet. Wanneer [naam kind] hierop wordt aangesproken reageert hij erg laconiek. De GI ziet geen belemmeringen waardoor [naam kind] zich niet aan de afspraken zou kunnen houden.
De moeder verzet zich ter zitting niet tegen het verzoek van de officier van justitie. De moeder is vermoeid geraakt door de zorgen rondom [naam kind] .
De vader verzet zich ter zitting evenmin tegen het verzoek van de officier van justitie.

De beoordeling

Ter zitting van 31 januari 2020 is gebleken dat [naam kind] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, waarop de officier van justitie een mondeling verzoek heeft gedaan om [naam kind] voorlopige onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Tevens is gebleken dat [naam kind] niet naar huis kan en wil waarop de officier van justitie tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de zus heeft verzocht voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 januari 2020 [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de zus verleend voor de duur van vier weken. Het overig verzochte is aangehouden.
Het verblijf van [naam kind] bij de zus verloopt redelijk. [naam kind] heeft te kennen gegeven niet terug te willen naar de ouders. De ouders hebben aangegeven de opvoeding en verzorging van [naam kind] niet meer aan te kunnen en dat [naam kind] niet meer welkom is bij hen. Uit voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De zus heeft aangegeven de opvoeding en verzorging van [naam kind] tot 30 april 2020 op zich te willen nemen. De ouders hebben ingestemd met het verblijf van [naam kind] bij de zus. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de zus verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 30 april 2020. [naam kind] lijkt zich echter niet aan de gestelde bijzondere voorwaarden in de strafzaak te houden. Het is belangrijk dat [naam kind] zich de komende periode goed aan alle gestelde voorwaarden zal houden.
Gelet op de omstandigheid dat het onderzoek van de Raad nog niet is afgerond, zal de kinderrechter de behandeling van het verzoek tot een definitieve ondertoezichtstelling aanhouden tot na te noemen datum. De Raad wordt verzocht om tijdig voor die zittingsdatum de kinderrechter de definitieve rapportage te doen toekomen.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de zus tot 30 april 2020;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen omtrent het verzoek tot ondertoezichtstelling:

Bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI en de belanghebbende in deze zaak zal plaatsvinden op
16 april 2020 te 09.30 uurin het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.
De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter.
Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de belanghebbenden en de zus [naam zus] als informant.
Verzoekt de Raad
uiterlijk twee wekenvoor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.N. Arduin als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 6 maart 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.