Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:2164

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2020
Publicatiedatum
11 maart 2020
Zaaknummer
FT EA 20/81
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FaillissementswetArt. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 288 lid 2 sub c Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw en psychosociale problematiek

Verzoeker heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend wegens een schuldenlast van ruim €110.000, grotendeels bestaande uit een ontnemingsmaatregel wegens drugssmokkel. De rechtbank constateert dat deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verplichtingen uit de regeling zal nakomen.

Daarnaast heeft verzoeker een smartengelduitkering ontvangen die niet naar rato aan schuldeisers is betaald, maar is gebruikt voor privébetalingen en een reis naar Ghana. Ook is onvoldoende aangetoond dat zijn psychosociale problemen, waaronder depressie en PTSS, al enige tijd onder controle zijn; het behandeltraject moet nog beginnen.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker geen saneringsgezinde houding toont, onvoldoende inspanningen levert om betaald werk te vinden en moeizame contacten heeft met schuldhulpverlening. Gezien deze omstandigheden en de aard van de schulden wordt het verzoek afgewezen. Verzoeker kan bij stabilisatie van zijn situatie een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende goede trouw en onvoldoende beheersing van psychosociale problemen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 4 maart 2020
[verzoeker],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 16 januari 2020 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van
26 februari 2020.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit ziektewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 110.194,29. Verzoeker heeft in 2012 ook een (afgewezen) verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. De schuld van verzoeker bedroeg destijds ruim € 181.000,-. Schulden die verzoeker destijds had bij de Rabobank (ruim € 33.000,-), SoZaWe (ruim € 16.000,-) en de Belastingdienst (ruim € 15.000,-) staan niet meer op de schuldenlijst van verzoeker. Gelet op zijn inkomensontwikkeling uit de afgelopen jaren lijkt het niet aannemelijk dat verzoeker een bedrag van € 71.000,- heeft afgelost, zodat de rechtbank twijfels heeft bij de juistheid van de ingediende schuldenlijst. Verzoeker heeft de vragen hierover van de rechtbank ter zitting niet (afdoende) kunnen beantwoorden.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft een schuld bij het CJIB die volgens verzoekers schuldenlijst € 94.004,67 bedraagt en volgens het overzicht van het CJIB van 10 februari 2020 € 89.349,-. Het overgrote deel van deze schuld betreft - volgens het CJIB-overzicht en de ‘eigen verklaring’ van verzoeker - een aan verzoeker opgelegde ontnemingsmaatregel van € 88.950,- ter terugbetaling van door verzoeker genoten opbrengsten uit drugssmokkel. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan en staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 288 lid 2 sub c Fw Pro aan toelating in de weg, ook al is deze schuld langer dan vijf jaar geleden ontstaan. Daarbij acht de rechtbank mede het volgende van belang. Verzoeker heeft verklaard dat hij begin 2019 een bedrag van ongeveer € 12.000,- aan smartengeld heeft ontvangen vanwege letsel dat hij door een verkeersongeluk heeft opgelopen. Hiervan zijn geen stukken overgelegd. Dit geld heeft verzoeker volgens zijn verklaring gebruikt om privé schulden aan zijn zus (€ 6.000,-) en moeder (€ 2.500,-) af te lossen. Daarnaast valt uit de rapportage van de schuldbemiddelaar van 17 december 2019 af te leiden dat op 7 maart 2019 schuldbemiddeling is aangeboden aan verzoeker en dat hij kort daarna (in april 2019) naar Ghana is gegaan voor gebedsgenezing. Hij heeft op 25 juni 2019 laten weten dat hij terug was uit Ghana. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat deze reis € 3.000,- heeft gekost, maar dat het in 2016 is geweest. In 2019 was hij wel in Ghana, niet voor gebedsgenezing maar voor een bruiloft van een familielid. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunten, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de rapportage van schuldhulpverlening, temeer daar niet valt in te zien dat het bezoeken van een bruiloft drie maanden in beslag neemt. Kennelijk heeft verzoeker de aan hem uitgekeerde schadevergoeding gebruikt voor het betalen van privé schulden en een reis naar Ghana, terwijl de noodzaak van deze kosten niet aannemelijk is gemaakt. Verzoeker had naar het oordeel van de rechtbank de smartengelduitkering moeten gebruiken om zijn schuldeisers naar rato te betalen. Door dat na te laten heeft hij zijn schuld aan het CJIB (en de overige schulden waarop niet is afgelost) niet te goeder trouw onbetaald gelaten als bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de informatie over de aanwending van de smartengelduitkering tijdsens het minnelijke traject met de schuldeisers is gedeeld.
Daarbij komt het volgende. Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Met deze verplichtingen en beperkingen verdraagt zich niet dat een schuldenaar psychosociale problemen heeft, of deze zeer onlangs heeft overwonnen terwijl een reële kans bestaat op een terugval. In de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling, zoals opgenomen in Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, is hierover het volgende bepaald:
“Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van psychosociale problematiek
Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weten te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”
Verzoeker heeft een verklaring overgelegd van Huisartsenpraktijk [naam huisartsenpraktijk] van 10 januari 2020. Hieruit blijkt dat verzoeker is doorverwezen naar een psycholoog wegens zijn depressieve klachten en zijn geschiedenis met PTSS. Verzoeker heeft verklaard dat zijn eerste afspraak bij PsyQ plaatsvindt op 6 maart 2020. Het behandeltraject moet dus nog beginnen. Gezien het voorgaande stelt de rechtbank vast dat niet of onvoldoende is aangetoond dat de psychosociale problemen van verzoeker al enige tijd onder controle zijn. Derhalve bestaat bij de rechtbank gegronde vrees dat verzoeker zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal kunnen nakomen.
Zodra verzoeker met een verklaring van zijn behandelaar kan aantonen dat en sinds wanneer zijn psychosociale problemen onder controle zijn, kan hij een nieuw verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen, welk verzoek dan mogelijk meer kans van slagen heeft.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoeker via een WMO-indicatie financiële ondersteuning krijgt en zich opnieuw zal laten behandelen door een psycholoog. Deze ontwikkelingen hebben zich echter pas recent voorgedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verzoeker in de afgelopen jaren - en ook in het recente verleden - onvoldoende blijk heeft gegeven van een saneringsgezinde houding. Hij heeft zijn smartengelduitkering gebruikt voor het betalen van privé schulden en het maken van een reis naar Ghana. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker zich inspant om - binnen de mogelijkheden die hij op grond van het overgelegde arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 31 januari 2020 heeft - betaald werk te vinden. Verzoeker kan volgens voormeld rapport zes uur per dag, 30 uur per week werken, waarbij binnen één a twee jaar een verbetering van zijn medische situatie is te verwachten. Van recente inspanningen om betaald werk te vinden is niet gebleken. Uit de rapportage van schuldhulpverlening valt af te leiden dat de contacten met verzoeker moeizaam verliepen en voornamelijk via zijn schuldhulpmaatje verliepen. Volgens schuldhulpverlening heeft verzoeker niet zijn eigen verantwoordelijkheid genomen om schuldhulpverlening te infomeren. Tegen deze achtergrond en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van
M. Melissant, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020. [1]