De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging uitlokking tot moord op haar ex-echtgenoot. De tenlastelegging betrof het overmaken van 750 euro en het verstrekken van een plattegrond van de woning, met het oogmerk iemand in te schakelen voor de moord.
De officier van justitie stelde dat er wettig en overtuigend bewijs was, onder meer door telefoongesprekken en getuigenverklaringen, terwijl de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [naam 1] betwistte. De rechtbank concludeerde dat de verklaringen van [naam 1] inconsistent en tegenstrijdig waren en dat uit de telefoongesprekken niet onomstotelijk bleek dat verdachte het verzoek tot moord had gedaan.
Gezien de onbetrouwbaarheid van het bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen omdat geen straf of maatregel was opgelegd. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.