De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak van een verdachte die op 4 augustus 2018 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een digitale aanvraag voor voortgezet verblijf als gezinslid indiende. Bij deze aanvraag ondertekende hij een antecedentenverklaring waarin hij verklaarde nooit in aanraking te zijn geweest met justitie, hetgeen niet waar bleek te zijn. Uit ambtshalve raadpleging van de justitiële documentatie bleek dat de verdachte voor diverse misdrijven was veroordeeld.
De verdachte gaf tijdens de zitting toe dat hij bepaalde justitiële contacten, zoals een veroordeling voor rijden onder invloed, niet had vermeld omdat hij dacht dat deze na zijn achttiende werden kwijtgescholden. Ook verklaarde hij dat zijn broer misbruik had gemaakt van zijn identiteitskaart. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk.
De politierechter achtte bewezen dat de verdachte de antecedentenverklaring valselijk had opgemaakt met het oogmerk deze als echt te gebruiken. Hoewel het verzwijgen van justitiële contacten geen reden was om de verblijfsvergunning te weigeren, werd het verzwijgen als ernstig feit beoordeeld. Daarom werd een gevangenisstraf van 2 maanden opgelegd, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Een taakstraf werd niet passend geacht vanwege de ernst van het feit en het belang van de samenleving.
De verdachte werd veroordeeld conform de artikelen 14a, 14b, 14c en 225 van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd mondeling gegeven op 10 februari 2020 door politierechter V.M. de Winkel.