Op 6 mei 2019 schoot de verdachte in Rotterdam meerdere keren met een vuurwapen op de voorkant van een auto waarin twee personen zaten. Hoewel de verdachte stelde gericht te hebben geschoten op de motor en niet op de inzittenden, oordeelde de rechtbank dat sprake was van voorwaardelijk opzet op het doden van de inzittenden. De verdachte accepteerde bewust het risico dat de personen geraakt zouden worden.
De verdediging voerde verweren van noodweer en noodweerexces aan, stellende dat verdachte werd bedreigd en achtervolgd door de inzittenden, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De verdachte zocht zelf de confrontatie door uit te stappen en te schieten.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de gevaarzetting voor omstanders en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een strafblad en rapportages van de reclassering. Gezien de ernst en omstandigheden werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar opgelegd, met aftrek van voorarrest.