ECLI:NL:RBROT:2020:2400

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2020
Publicatiedatum
20 maart 2020
Zaaknummer
ROT 19/5489
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 september 2019 van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, waarbij zijn bezwaren tegen eerdere besluiten ongegrond zijn verklaard.

De griffier heeft eiser per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van een griffierecht van €47,- en hem aangemaand dit binnen vier weken te voldoen. Deze betaling is niet binnen de gestelde termijn ontvangen.

Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard indien het griffierecht niet tijdig is voldaan, tenzij er sprake is van een gegronde reden voor het verzuim. De rechtbank oordeelt dat eiser in verzuim is geweest en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/5489
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. H. Mahyou,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 september 2019 van verweerder waarbij zijn bezwaren tegen de besluiten van 11 en 14 maart 2019 ongegrond zijn verklaard.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.
2. Bij aangetekende brief van 27 november 2019 heeft de griffier (de gemachtigde van) eiser erop gewezen dat hij een griffierecht van € 47,- verschuldigd is en hem aangemaand dit bedrag binnen vier weken te voldoen. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort.
3. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4. Naar het oordeel van de rechtbank kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) eiser in verzuim is geweest. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van
A.M.S.J. Baggerman, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.