ECLI:NL:RBROT:2020:2454
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in Wvggz-zorgzaak tijdens coronamaatregelen
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij de behandeling van een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Verzoeker was het niet eens met het telefonisch horen, zoals voorgeschreven door het coronaprotocol, en wilde persoonlijk of via videoverbinding worden gehoord in de instelling waar hij verbleef.
De rechtbank legde uit dat vanwege de uitbraak van het coronavirus landelijke werkinstructies golden die het houden van fysieke zittingen en bezoeken aan instellingen onmogelijk maakten. Deze instructies waren noodzakelijk om de veiligheid van alle betrokkenen te waarborgen en zorgden ervoor dat urgente zaken telefonisch werden behandeld.
De wrakingskamer oordeelde dat een onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking is, tenzij deze zo onbegrijpelijk is dat alleen vooringenomenheid dit kan verklaren. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden en het protocol was de beslissing van de rechter om niet af te wijken van het telefonisch horen niet onbegrijpelijk of partijdig.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De rechtbank benadrukte dat alle procesdeelnemers gelijk werden behandeld en dat de zitting conform de geldende instructies was voorbereid en uitgevoerd.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen omdat de rechter handelde binnen het coronaprotocol en niet partijdig was.