Eiseres, werkzaam als algemeen medewerkster, meldde zich ziek wegens lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Verweerder verklaarde haar met ingang van 23 april 2018 arbeidsgeschikt, waarop eiseres bezwaar maakte. Na een hernieuwd onderzoek werd het bezwaar eerst ongegrond verklaard, maar later ingetrokken en herroepen, waarbij eiseres werd geacht van 11 juni tot 29 oktober 2018 recht te hebben op een Ziektewetuitkering.
Eiseres voerde aan dat zij door psychische klachten en polsklachten niet in staat was haar werk te verrichten en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat geen informatie van haar psychiater was opgevraagd. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief overleg met de huisarts, en dat de verzekeringsarts op zijn eigen oordeel mocht afgaan.
De rechtbank stelde vast dat de medische gegevens geen aanleiding gaven om het oordeel over de arbeidsgeschiktheid per 29 oktober 2018 te wijzigen. De subjectieve klachtenbeleving van eiseres was niet doorslaggevend. Het beroep tegen het bestreden besluit II werd daarom ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het intrekken van dat besluit.
De rechtbank bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres moest vergoeden en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.