ECLI:NL:RBROT:2020:2555

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2020
Publicatiedatum
25 maart 2020
Zaaknummer
8294776 \ VZ VERZ 20-1278
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing transitievergoeding bij opzegging door werknemer na tijdelijke arbeidsovereenkomst

De werknemer trad op 9 oktober 2017 in dienst bij Kraaijvanger op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die uiteindelijk zou eindigen op 31 december 2019. Op 31 oktober 2019 zegde de werknemer de arbeidsovereenkomst zelf op met ingang van 1 december 2019, waarna hij per die datum bij een nieuwe werkgever in dienst trad.

De werknemer vorderde een transitievergoeding van Kraaijvanger, stellende dat de werkgever de overeenkomst had opgezegd of dat hij op gerechtvaardigd vertrouwen mocht rekenen op betaling van de vergoeding. De werkgever verweerde zich door te stellen dat de werknemer zelf had opgezegd en dat de transitievergoeding daarom niet verschuldigd was.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet op een in artikel 7:673 BW Pro genoemde wijze was geëindigd, omdat de werknemer zelf had opgezegd. Ook het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen faalde, omdat de werknemer niet kon afgaan op de mededeling van een medewerker die niet volledig op de hoogte was van alle relevante omstandigheden.

Daarom wees de kantonrechter het verzoek af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat de werkgever zonder gemachtigde had geprocedeerd.

Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding wordt afgewezen omdat de werknemer zelf heeft opgezegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8294776 \ VZ VERZ 20-1278
uitspraak: 25 maart 2020
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats verzoeker] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.C.W.E. Ruyken te Zoetermeer,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Kraaijvanger Architects,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [verzoeker] ’ respectievelijk ‘Kraaijvanger’.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
 het verzoekschrift met producties, ontvangen op 29 januari 2020;
 het verweerschrift met producties, ontvangen op 1 februari 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Daarbij is [verzoeker] in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens Kraaijvanger zijn verschenen de heer [naam 1] ( [functie 1] ) en mevrouw [naam 2] ( [functie 2] ). Partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van [verzoeker] zich heeft bediend van pleitnotities. Die pleitnotities zijn aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen ter zitting is besproken. Die aantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier.
1.3.
De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van het volgende.
2.1.
[verzoeker] is op 9 oktober 2017 in dienst getreden bij Kraaijvanger op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
2.2.
De arbeidsovereenkomst is tussentijds verlengd tot 1 september 2019.
2.3.
Bij e-mail van 23 juli 2019 heeft de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [functie 1] bij Kraaijvanger, aan [verzoeker] voor zover relevant geschreven dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2019 voor bepaalde tijd wordt verlengd voor de duur van drie maanden en derhalve op 31 december 2019 van rechtswege zal eindigen.
2.4.
Bij e-mail van 31 oktober 2019 heeft [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met Kraaijvanger opgezegd. [verzoeker] schrijft in zijn e-mail, voor zover relevant:
“(…) Bij deze zeg ik mijn contract op. Dat betekent dat ik per 30 nov hier niet meer werk. Als er nog zaken zijn die ik moet afhandelen hoor ik het. (…)”
2.5.
De heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), werkzaam op de afdeling financiën van Kraaijvanger, heeft in een e-mail van 31 oktober 2019 aan [verzoeker] , voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Klopt, de transitievergoeding, daar heb je recht op als je langer dan 2 jaar in dienst bent geweest. Die is : € 1.530,- in jou geval. (…)”
2.6.
[verzoeker] is per 1 december 2019 in dienst getreden bij een nieuwe werkgever.

3.Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.
[verzoeker] heeft verzocht een transitievergoeding ten bedrage van € 1.537,00 dan wel € 1.530,00 aan hem toe te kennen ten laste van Kraaijvanger, met veroordeling van Kraaijvanger in de proceskosten.
3.2.
Aan dat verzoek heeft [verzoeker] , naast de vaststaande feiten en verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1.
Kraaijvanger heeft de tijdelijke arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd bij e-mail van 23 juli 2019. [verzoeker] heeft die e-mail zo begrepen dat hij na 31 december 2019 geen nieuwe arbeidsovereenkomst zou krijgen. Daarom is hij in de maanden augustus tot en met oktober 2019 op zoek gegaan naar een nieuwe werkgever. De nieuwe werkgever verlangde dat hij per 1 december 2019 in dienst zou treden, daarom heeft [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met Kraaijvanger per die datum opgezegd. [verzoeker] was niet op zoek gegaan naar een nieuwe werkgever, als Kraaijvanger hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had aangeboden. Er bestaat dus een causaal verband tussen de opzegging door Kraaijvanger en de daarop volgende opzegging door [verzoeker] . De arbeidsmarktpositie van [verzoeker] is verslechterd en de economische onzekerheid is toegenomen, omdat hij bij zijn nieuwe werkgever slechts een arbeidsovereenkomst heeft voor zeven maanden. De wetgever heeft een dergelijke situatie willen compenseren met een transitievergoeding. Een redelijke uitleg van de wet brengt mee dat in de onderhavige situatie recht bestaat op de transitievergoeding.
3.2.2.
Door de toezegging zonder voorbehoud van [naam 3] in de e-mail van 31 oktober 2019 is bij [verzoeker] het vertrouwen opgewekt dat de transitievergoeding aan hem zou worden betaald. Op die toezegging kan niet eenzijdig worden teruggekomen. [verzoeker] mocht afgaan op de mededelingen van [naam 3] , die in dit geval de vertegenwoordiger is van Kraaijvanger. [naam 3] heeft een transitievergoeding ten bedrage van € 1.530,00 toegezegd. Door middel van een rekentool heeft [verzoeker] berekend dat hij recht heeft op een transitievergoeding ten bedrage van € 1.537,00.

4.Het verweer

4.1.
Kraaijvanger heeft, verkort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.
4.1.1.
[verzoeker] heeft geen recht op een transitievergoeding, omdat hij de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd per 1 december 2019. De transitievergoeding is bedoeld als een potje voor om- of bijscholing of om een eigen bedrijf te beginnen. Daar is in deze situatie geen sprake van. [verzoeker] is goed geschoold gedurende zijn werkzame periode bij Kraaijvanger en hij is per 1 december 2019 in dienst getreden bij een nieuwe werkgever.
4.1.2.
Op het moment dat [verzoeker] aan [naam 3] de vraag stelde over de transitievergoeding, was het [naam 3] niet duidelijk dat [verzoeker] zijn arbeidsovereenkomst zelf had opgezegd. [naam 3] verkeerde in de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] van rechtswege zou eindigen. [naam 3] heeft na opheldering hierover het een en ander rechtgezet met [verzoeker] . [naam 3] is bovendien niet bevoegd om toezeggingen aangaande personeelszaken te doen; die verantwoordelijkheid berust als enige bij [naam 1] als [functie 1] .

5.De beoordeling

5.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is door [verzoeker] desgevraagd bevestigd dat de grondslag van zijn verzoek tweeledig is, te weten dat zijn verzoek primair is gegrond op artikel 7:673 BW Pro en subsidiair op het door hem gestelde opgewekte vertrouwen door [naam 3] ter zake de toekenning van de transitievergoeding.
5.2.
In artikel 7:673 lid 1 BW Pro is bepaald in welke gevallen de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding is verschuldigd. De wijze van eindigen van de arbeidsovereenkomst is daarbij bepalend. In sub a van die bepaling is bepaald dat de transitievergoeding is verschuldigd, indien de arbeidsovereenkomst 1) door de werkgever is opgezegd, 2) op verzoek van de werkgever is ontbonden, of 3) na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden. In sub b van het eerste lid van artikel 7:673 BW Pro is bepaald dat de transitievergoeding is verschuldigd, indien de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever 1) door de werknemer is opgezegd, 2) op verzoek van de werknemer is ontbonden of 3) na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.
5.3.
In het onderhavige geval zou de arbeidsovereenkomst in eerste instantie van rechtswege eindigen op 31 december 2019. De arbeidsovereenkomst is echter niet op die wijze geëindigd, omdat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst zelf per 1 december 2019 heeft opgezegd. Die opzegging is door Kraaijvanger geaccepteerd. De arbeidsovereenkomst is daarom, anders dan [verzoeker] heeft gesteld, niet geëindigd op één van de in artikel 7:673 lid 1 BW Pro beschreven wijzen. In deze situatie bestaat er geen recht op een transitievergoeding. Het verzoek kan dan ook niet worden toegewezen op de primaire grondslag.
5.4.
[verzoeker] heeft subsidiair een beroep gedaan op gerechtvaardigd vertrouwen. De vraag is of [verzoeker] mocht vertrouwen op hetgeen [naam 3] aan hem heeft medegedeeld en of [verzoeker] ervan mocht uitgaan dat [naam 3] , op basis van de op dat moment bij [naam 3] bekende informatie, aan hem namens Kraaijvanger de transitievergoeding mocht toekennen. Uit de toelichting van [verzoeker] ter zitting volgt dat [verzoeker] ervan op de hoogte was dat hij financiële zaken kon bespreken met [naam 3] en arbeidsrechtelijke kwesties met [naam 1] regelde en dat hij dit eerder ook zo heeft gedaan. Uit niets is gebleken dat [naam 3] ten tijde van de e-mail van 31 oktober 2019 op de hoogte was van alle relevante omstandigheden, waaronder dat [verzoeker] Kraaijvanger per 1 december 2019 ging verlaten, omdat [verzoeker] zelf de arbeidsovereenkomst had opgezegd of dat [verzoeker] aan het solliciteren was naar een andere baan. Er zijn geen feiten en of omstandigheden gesteld of gebleken, waaraan [verzoeker] het door hem gestelde vertrouwen heeft mogen ontlenen. Het verzoek is daarom evenmin toewijsbaar op de subsidiaire grondslag.
5.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
5.6.
[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Aangezien Kraaijvanger zonder gemachtigde heeft geprocedeerd, worden de proceskosten begroot op nihil.

6.De beslissing

De kantonrechter:
wijst het verzoek af;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Kraaijvanger begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.