ECLI:NL:RBROT:2020:2555
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing transitievergoeding bij opzegging door werknemer na tijdelijke arbeidsovereenkomst
De werknemer trad op 9 oktober 2017 in dienst bij Kraaijvanger op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst die uiteindelijk zou eindigen op 31 december 2019. Op 31 oktober 2019 zegde de werknemer de arbeidsovereenkomst zelf op met ingang van 1 december 2019, waarna hij per die datum bij een nieuwe werkgever in dienst trad.
De werknemer vorderde een transitievergoeding van Kraaijvanger, stellende dat de werkgever de overeenkomst had opgezegd of dat hij op gerechtvaardigd vertrouwen mocht rekenen op betaling van de vergoeding. De werkgever verweerde zich door te stellen dat de werknemer zelf had opgezegd en dat de transitievergoeding daarom niet verschuldigd was.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet op een in artikel 7:673 BW Pro genoemde wijze was geëindigd, omdat de werknemer zelf had opgezegd. Ook het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen faalde, omdat de werknemer niet kon afgaan op de mededeling van een medewerker die niet volledig op de hoogte was van alle relevante omstandigheden.
Daarom wees de kantonrechter het verzoek af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat de werkgever zonder gemachtigde had geprocedeerd.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding wordt afgewezen omdat de werknemer zelf heeft opgezegd.