Verzoekers hebben op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om uitvoering van het vonnis tot ontruiming van hun huurwoning op te schorten. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 14 januari 2020.
Verweerster, Stichting Vestia, heeft aangegeven geen minnelijke regeling te willen treffen en betwist dat verzoekers aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Verzoekers hebben echter aangetoond dat de huur voor januari en februari 2020 is voldaan met hulp van het Fonds Bijzondere Noden en dat een beschermingsbewind is ingesteld. Er wordt gewerkt aan correctie van de beslagvrije voet en een belastingteruggave wordt verwacht.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die in de woning willen blijven en hun schulden willen regelen, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorziening wordt daarom voor drie maanden toegekend, met voorwaarden dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan en dat er verslag wordt uitgebracht over het schuldhulpverleningstraject.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. Verzoekers kunnen later een nieuw verzoek indienen.
De moratoriumvoorziening verlengt de huurovereenkomst voor de duur van drie maanden en biedt verzoekers een adempauze om hun financiële situatie te stabiliseren.