AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging ondertoezichtstelling kind wegens bedreigde ontwikkeling en hulpverleningsbehoefte
De rechtbank Rotterdam behandelde op 13 maart 2020 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 22 maart 2020, waarna de gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verdere verlenging tot 22 februari 2021.
De GI gaf aan dat de doelen voor een veilige en stabiele opvoedsituatie onvoldoende zijn behaald, mede door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer sinds juli 2019. De ouders zijn gemotiveerd om mee te werken aan hulpverlening, maar het organiseren daarvan verloopt moeizaam. Er is een intake gepland bij Enver voor opvoedondersteuning en gesprekken met de vader over hulp gericht op emotieregulatie.
De kinderrechter constateerde dat het kind nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, ondanks afgenomen zorgen over schoolgedrag. De taalontwikkeling blijft zorgelijk en logopedie wordt gevolgd. De opvoedsituatie is rustiger, maar een passend hulpaanbod voor de vader ontbreekt nog. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI betrokken blijft en spoedig een vaste jeugdbeschermer wordt aangesteld. Gezien het wettelijke criterium van artikel 1:255 BWPro wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 februari 2021.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van het kind wordt verlengd tot 22 februari 2021.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/588947 / JE RK 19-3927
datum uitspraak: 13 maart 2020
beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
betreffende
[naam kind] ,
geboren op [geboortedatum kind] 2015 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 februari 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
Op 13 maart 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de vader, - een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de moeder, met bericht van verhindering.
De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.
[naam kind] woont bij de ouders.
Bij beschikking van 7 februari 2020 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot 22 maart 2020. De beslissing is voor het overige aangehouden.
Het verzoek
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van één jaar. Hiervan is reeds een periode toegewezen, waardoor nu beslist moet worden op de periode tot 22 februari 2021.
Het standpunt van de GI
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De jeugdbeschermer die betrokken was bij het gezin, is sinds juli 2019 niet meer werkzaam bij de GI. Er is tot op heden geen nieuwe, vaste jeugdbeschermer beschikbaar die de zaak kan overnemen, maar de GI hoopt dat deze nu binnen enkele weken wordt aangesteld. De doelen die door de GI zijn gesteld, om ervoor te zorgen dat [naam kind] kan opgroeien in een veilige en stabiele opvoedsituatie, zijn onvoldoende behaald. De ouders zijn gemotiveerd om mee te werken aan de hulpverlening die de GI nodig acht, echter is deze hulpverlening moeilijk te organiseren. De GI wil opvoedondersteuning inzetten om de opvoedvaardigheden van de vader te vergroten. Er staat op korte termijn een intakegesprek gepland bij Enver, zodat dit kan starten. Ook is de GI in gesprek met de vader om hulpverlening in te zetten, gericht op zijn emotieregulatie. De vader is al lange tijd bezig om hier hulp voor te krijgen, maar hij wordt continu afgewezen.
Het standpunt van de belanghebbende
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zelf om hulp heeft gevraagd. Hij heeft zich bij diverse hulpverleningsinstanties aangemeld voor therapie, maar hij wordt overal afgewezen. De vader zou graag MET (Mentalization Based Treatment) willen volgen. Hij staat overal voor open en wil overal aan meewerken. Er is momenteel geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, waardoor er veel wisselende personen betrokken zijn. Dat geeft alleen maar spanning.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel de zorgen over het gedrag van [naam kind] op school zijn afgenomen, bestaan er nog wel zorgen over zijn taalontwikkeling. Hiervoor volgt [naam kind] logopedie. In de opvoedsituatie is sprake van meer rust en stabiliteit, maar het is tot op heden niet gelukt om een passend hulpaanbod te vinden voor de vader, aansluitend bij zijn problematiek en gericht op zijn emotieregulatie en inlevingsvermogen. Wel zal op korte termijn opvoedondersteuning vanuit Enver worden ingezet. Positief is dat de ouders open staan voor de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening. Naar het oordeel van de kinderrechter is het noodzakelijk dat de GI in de komende periode betrokken blijft om het hulpverleningstraject te coördineren en om zicht te houden op de ontwikkeling van [naam kind] . Het is wel van groot belang dat er op korte termijn een vaste jeugdbeschermer wordt aangesteld, zodat er een goede samenwerkingsrelatie tot stand kan komen tussen de ouders en de GI en de ouders niet met telkens andere jeugdbeschermers moeten werken.
De beslissingDe kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 22 februari 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020 door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op ... maart 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Den Haag.