Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De feiten
3..Het geschil
4..De beoordeling
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De huurder heeft van 17 juli 2018 tot en met 31 maart 2019 een appartement gehuurd tegen een maandelijkse huur van €788,-. Na beëindiging van de huurovereenkomst stelde de verhuurder een eindafrekening op met een vordering van €1.003,- aan servicekosten en huur. De huurder betwistte de hoogte van de servicekosten en stelde dat hij pas per 1 augustus 2018 is gaan wonen, waardoor hij een halve maand huur te veel zou moeten betalen. Tevens maakte hij aanspraak op huurvermindering wegens overlast door verbouwingswerkzaamheden.
De kantonrechter oordeelde dat de huurder de huur vanaf 17 juli 2018 verschuldigd is en dat de servicekosten redelijk zijn berekend op basis van gedeelde nutsvoorzieningen, waarbij het verbruik naar redelijkheid is toegerekend. De vordering van de verhuurder werd verminderd tot €509,96. De gevorderde contractuele rente werd afgewezen, maar de wettelijke rente vanaf 6 september 2019 toegewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens strijd met dwingend recht en het ontbreken van een correcte aanmaning.
De overige verweren van de huurder, waaronder overlast en investeringen in het gehuurde, konden niet leiden tot vermindering van de betalingsverplichting. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €509,96 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 september 2019, met compensatie van proceskosten.