ECLI:NL:RBROT:2020:2827

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2020
Publicatiedatum
1 april 2020
Zaaknummer
C/10/593116 / FA RK 20-1711
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 7:8 WvggzArt. 6:1 Wvggz
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting van crisismaatregel op grond van de Wvggz

De officier van justitie verzocht op 13 maart 2020 om verlenging van een op 12 maart 2020 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die lijdt aan een psychotische stoornis met ernstig risico op lichamelijk letsel en gevaar voor veiligheid. De mondelinge behandeling vond plaats op 16 maart 2020, waarbij betrokkene en haar advocaat telefonisch werden gehoord vanwege COVID-19 maatregelen.

De advocaat maakte bezwaar tegen het telefonisch horen zonder beeldverbinding, stellende dat de rechtbank naar de locatie had moeten komen. De rechtbank oordeelde dat de noodsituatie rondom het coronavirus deze werkwijze rechtvaardigt en dat het recht op een eerlijk proces niet wordt geschaad.

De rechtbank stelde vast dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door agitatie en paranoïde wanen, waarvoor verplichte zorg noodzakelijk is, waaronder medicatie, bewegingsbeperking, insluiting en toezicht. De rechtbank verwierp het bezwaar tegen insluiting omdat dit noodzakelijk is om het nadeel af te wenden.

De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor een periode van drie weken, tot en met 6 april 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/593116 / FA RK 20-1711
Betrokkenenummer: [nummer]
Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 16 maart 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende aan de [adres betrokkene] , [woonplaats betrokkene] ,
thans verblijvende in Antes, locatie Albrandswaardsedijk te Poortugaal,
advocaat mr. S.E.M. Hooijman te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 maart 2020, heeft de officier verzocht om verlenging van de op 12 maart 2020 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
 een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 12 maart 2020;
 de medische verklaring opgesteld door F.C. Karayalcin, psychiater, van 12 maart 2020;
 de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz, en
 de relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 16 maart 2020, in het gebouw van de rechtbank Rotterdam. Bij die gelegenheid zijn, als noodmaatregel ter voorkoming van het coronavirus, telefonisch gehoord:
  • betrokkene met haar hierboven genoemde advocaat;
  • [naam arts] , arts in opleiding tot specialist, verbonden aan Antes, locatie Albrandswaardsedijk.
1.3.
De officier is niet (telefonisch) gehoord ter zitting, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2. Beoordeling
2.1.
Telefonisch horen
2.1.1.
De advocaat van betrokkene maakt bezwaar tegen de wijze waarop betrokkene wordt gehoord door de rechtbank. Zij stelt zich op het standpunt dat de rechter en de griffier op grond van de Wvggz (artikel 7:8 juncto Pro artikel 6:1) naar de accommodatie toe hadden moeten komen om haar cliënte te horen. De advocaat meent dat haar cliënt door de rechtbank niet telefonisch zonder beeldverbeelding mag worden gehoord.
2.1.2.
De rechtbank betreurt het momenteel deze werkwijze te moeten hanteren. Zij wijst er evenwel op dat het voorkomen van de verdere verspreiding van COVID-19 (het coronavirus) een noodsituatie vormt die dwingt tot het aanpassen van werkwijzen. De rechtbank is van oordeel dat via het telefonisch horen van partijen zonder beeldverbinding geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het recht van betrokkene en haar advocaat om gehoord te worden en zich uit te laten over de verzochte machtiging. De rechtbank verwerpt daarom het standpunt van de advocaat dat de rechtbank op basis van deze wijze van horen van betrokkenen, in aanvulling op de overige stukken, niet gerechtigd is te oordelen.
2.2.
Criteria crisismachtiging
2.2.1.
Op grond van artikel 7:7 Wvggz Pro in samenhang gelezen met artikel 7:8 Wvggz Pro kan de rechter op verzoek van de officier met betrekking tot een betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze betrokkene op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro een crisismaatregel heeft genomen.
2.2.2.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Betrokkene is sinds de zomer toenemend angstig en achterdochtig. Deze klachten zijn in januari 2020 aanzienlijk verergerd. Er zijn paranoïde wanen waar betrokkene naar handelt. Vanuit deze wanen is zij vaak in conflict met haar familieleden, met fysieke agressie tot gevolg. Ook heeft zij de onderzoekers van de crisisdienst bedreigd en bij het hoofd vastgepakt. Op de afdeling is er eveneens sprake van agitatie en achterdocht. De spanning is onlangs dermate hoog opgelopen dat er noodmedicatie is toegediend en dat betrokkene moest worden gesepareerd.
2.2.3.
Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een psychotisch toestandsbeeld.
2.2.4.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
2.3.
Verplichte zorg
2.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de in de crisismaatregel genoemde verplichte zorg noodzakelijk is om het nadeel af te kunnen wenden, te weten:
 het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
 het beperken van de bewegingsvrijheid;
 het insluiten;
 het uitoefenen van toezicht op betrokkene, en
 het opnemen in een accommodatie.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, nu de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de psychiater ter zitting gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
De advocaat maakt namens betrokkene bezwaar tegen het insluiten als vorm van verplichte zorg. De arts heeft zich naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd verklaard dat het insluiten als vorm van verplichte zorg nodig is om het nadeel af kunnen te wenden nu bij betrokkene sprake is van agitatie. Deze agitatie bij betrokkene heeft er voor gezorgd dat zij eerder tijdens haar verblijf in de accommodatie is gesepareerd.
2.3.2.
Betrokkene verzet zich tegen deze zorg. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.3.3.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.4.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na heden.

3. Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [naam betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.2.1. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 6 april 2020.
Deze beschikking is op 16 maart 2020 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, en op 20 maart 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.