ECLI:NL:RBROT:2020:3078

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
8 april 2020
Zaaknummer
KTN-8066173_26032020
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontbinding koopovereenkomst auto wegens niet bewezen gebreken

Op 23 februari 2019 sloot eiser een koopovereenkomst met gedaagde voor een gebruikte Peugeot uit 2008, zonder garantie. Na enkele maanden meldde eiser gebreken aan de auto, waaronder een motorbijgeluid, niet-functionerende airco en een loshangende uitlaat. Gedaagde liet een reparatie uitvoeren en bracht alleen materiaalkosten in rekening.

Eiser vorderde ontbinding van de koopovereenkomst wegens tekortkoming, terugbetaling van de koopprijs, vergoeding van gevolgschade en buitengerechtelijke kosten. Gedaagde betwistte dat de auto bij levering gebrekkig was en verwees naar de leeftijd en prijs van het voertuig en het ontbreken van garantie.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor de gebreken en dat de gestelde motorgeluiden geen gebrek vormden. Ook de airco en uitlaat waren niet gebrekkig. Er was geen tekortkoming van gedaagde, waardoor ontbinding niet aan de orde was. De vorderingen tot terugbetaling, schadevergoeding en kosten werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot ontbinding en schadevergoeding wegens gebreken aan de auto wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8066173 \ CV EXPL 19-6396
uitspraak: 26 maart 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
gemachtigde: mr. J.F. Cheung,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde: de heer [naam gemachtigde] .
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1..Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:
  • het exploot van dagvaarding van 19 september 2019, met producties;
  • de conclusie van antwoord;
  • het tussenvonnis van 7 november 2019 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de aantekening dat op 10 januari 2020 de mondelinge behandeling is gehouden.
De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
Op 23 februari 2019 is tussen [gedaagde] en [eiser] een overeenkomst tot stand gekomen ter zake van de koop van het voertuig van het merk Peugeot met bouwjaar 2008 en met kenteken [kentekennummer 1] (hierna: de auto) door [eiser] voor een bedrag van € 3.950,-. [eiser] heeft zijn eigen voertuig van het merk Opel met kenteken [kentekennummer 2] ingeruild voor een bedrag van € 1.750,-.
Op de ondertekende factuur is onder meer opgenomen:
Zoals gezien, bereden en akkoord bevonden.Geen garantie. Getekend voor akkoord.
Op 10 juli 2019 heeft [eiser] bij [gedaagde] gemeld dat de auto gebreken vertoonde, bestaande uit een onverklaarbaar geluid in de motor, een niet-functionerende airconditioning en een loshangende uitlaat, en aan [gedaagde] verzocht deze gebreken te herstellen.
[gedaagde] heeft na telefonisch overleg met [eiser] door een derde werkzaamheden laten uitvoeren aan het motorblok voor een bedrag van € 800,-. Vanaf 18 juli 2019 staat de auto weer bij [gedaagde] .
[gedaagde] heeft [eiser] bericht dat deze de auto tegen betaling van de materiaalkosten van € 325,- kon komen ophalen.
Bij brief van 20 juli 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] het volgende bericht:
Indien u niet binnen vijf (5) dagen ingaande de dag na ontvangst van deze brief overgaat of wenst over te gaan tot herstel van de gebreken, dan kunt u de overeenkomst als ontbonden beschouwen en verzoek ik u vriendelijk om uiterlijk binnen 30 dagen ingaande de dag na ontvangst van dit schrijven de som van € 3.950,- aan cliënt te restitueren door het bedrag over te maken […]

3..De vordering, de grondslag en het verweer

3.1
[eiser] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden;
voor zover de koopovereenkomst tussen partijen niet buitengerechtelijk zou zijn ontbonden, de koopovereenkomst alsnog, indien de wet zulks toelaat, te ontbinden;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem van een bedrag van € 4.210,55 aan ongedaanmakingsverplichting, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem van een bedrag van € 260,55 aan opgelopen gevolgschade, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem van een bedrag van € 660,73 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan hem van de wettelijke rente over de onder in iii en iv genoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van het voornoemde bedrag tot aan de dag van algehele voldoening;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf de vijftiende dag na de bedoelde termijn voor voldoening.
3.2
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan zijn eis het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is, ondanks sommaties, in gebreke gebleven met het volledig herstel van de gebreken aan de auto. Deze tekortkoming rechtvaardigt de (reeds buitengerechtelijk ingeroepen) ontbinding van de overeenkomst. Uit hoofde van de als gevolg van de ontbinding ontstane ongedaanmakingsverplichtingen is [gedaagde] gehouden tot terugbetaling van de aankoopsom van € 3.950,-. Voorts heeft [gedaagde] geweigerd de auto af te geven, zodat [eiser] € 260,55 extra kosten heeft moeten maken, bestaande uit € 119,52 voor betaalde wegenbelasting en verzekeringspremie en € 141,03 voor vervangend vervoer (extra benzinekosten).
3.3
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Hij heeft daartoe – voor zover van belang – het volgende aangevoerd. Ten tijde van de aflevering bevond de auto zich in prima staat. Pas vijf maanden na ingebruikname heeft [eiser] de gestelde gebreken geconstateerd, zodat niet aannemelijk is dat deze gebreken reeds ten tijde van de levering aanwezig waren. Bovendien is voorafgaand aan de koop besproken dat, gezien de leeftijd van de auto van 11 jaar en de prijsstelling, geen garantie zou worden gegeven. Desondanks heeft [gedaagde] de auto laten nakijken en in overleg met [eiser] het onschuldige bijgeluid in de motor laten repareren. Vervolgens heeft [gedaagde] aangeboden de arbeidskosten op zich te nemen.

4..De beoordeling van het geschil

4.1
Allereerst dient beoordeeld te worden of de auto (ten tijde van de levering) gebreken had. Met betrekking tot de airco van de auto heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze door hem en door zijn vaste garagebedrijf is nagekeken en dat daarbij geen gebreken zijn geconstateerd. Hij heeft niet weersproken dat de airco mogelijk minder goed koelt dan die van een nieuwe auto, maar hij heeft betwist dat de airco daarmee gebrekkig is. [eiser] heeft de gestelde gebreken aan de airco vervolgens niet nader onderbouwd, zodat die niet zijn komen vast te staan.
Ten aanzien van de gestelde loshangende uitlaat heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij deze zelf heeft vastgemaakt c.q. gerepareerd. [eiser] heeft, gelet op de betwisting van [gedaagde] , ook op dit punt onvoldoende onderbouwd dat ten tijde van de levering althans ten tijde van de afgifte van de auto aan [gedaagde] nog sprake was van een gebrekkige (bevestiging van de) uitlaat.
Met betrekking tot het geluid in de motor heeft [gedaagde] aangevoerd dat dit een bijgeluid betreft dat samenhangt met de kettingspanne als gevolg van slijtage, maar dat dit op zichzelf geen kwaad kan voor het normaal gebruik van de auto en daarmee niet is aan te merken als een gebrek. [eiser] heeft zijn stelling dat de motor wel degelijk gebreken had vervolgens niet nader onderbouwd. Dat [gedaagde] met de door hem voorgestelde reparatie, waarbij onbetwist niet is besproken wie de kosten daarvan zou dragen, (enige aansprakelijkheid voor) gebreken heeft erkend, is door hem gemotiveerd betwist en door [eiser] vervolgens niet weerlegd.
4.2
Dat sprake is van enig gebrek is dan ook niet komen vast te staan, laat staan dat enig gebrek ten tijde van de levering aanwezig was. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat de gebreken tijdens een in het kader van een gratis zomercheck via de verzekering uitgevoerde keuring door een onafhankelijke derde zijn gebleken, maar dit is door hem niet met enig stuk onderbouwd. Nu de door [eiser] gestelde gebreken niet zijn komen vast te staan, wordt niet toegekomen aan het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW Pro en kan niet tot het oordeel gekomen worden dat op [gedaagde] enige verplichting rustte tot herstel van de auto.
4.3
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. Daarmee was er geen grond voor buitengerechtelijke ontbinding en zal ook de (subsidiair) gevorderde ontbinding worden afgewezen. De gevorderde terugbetaling van de koopprijs zal dan ook worden afgewezen.
4.4
[eiser] heeft niet weersproken dat hij heeft ingestemd met het uitvoeren van werkzaamheden aan de auto. [gedaagde] heeft (enkel) de materiaalkosten bij [eiser] in rekening gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat zij niet expliciet vooraf hebben besproken wie voornoemde kosten zou dragen. In het midden kan blijven of [gedaagde] na het uitblijven van de betaling van de materiaalkosten de auto onder zich heeft mogen houden, aangezien hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij [eiser] nimmer heeft gezegd dat die de auto niet mocht komen ophalen. [eiser] heeft dit laatste bij de mondelinge behandeling niet weersproken. Nu daarmee niet is komen vast te staan dat de door [eiser] gemaakte kosten voor vervangend vervoer (extra benzinekosten) en het betalen van wegenbelasting en verzekeringspremie noodzakelijk waren, dienen deze, als gevolg van het kennelijke misverstand aan de zijde van [eiser] gemaakte kosten voor zijn rekening te blijven. De in dit kader gevorderde schade zal daarom eveneens worden afgewezen.
4.5
Nu de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, zullen de daarop gebaseerde rente en buitengerechtelijke kosten eveneens worden afgewezen.
4.6
[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5..De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
590