ECLI:NL:RBROT:2020:3223

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
C/10/590261 / JE RK 20-238
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en hulpverlening

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot zijn meerderjarigheid, met het doel de continuering van hulpverlening via Kenter te waarborgen. De minderjarige kampt met emotionele en gedragsproblemen, waarbij de hulpverlening zonder ondertoezichtstelling niet effectief zou zijn. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar tonen een afwachtende houding en slagen er niet in samen te werken in het belang van het kind.

De minderjarige verblijft momenteel bij een vriendin, maar deze woonplek wordt als onvoldoende sturend beoordeeld. De GI acht een uithuisplaatsing op dit moment niet concreet onderbouwd en wijst het verzoek daartoe af. De kinderrechter heeft de betrokkenen telefonisch gehoord vanwege COVID-19 maatregelen en concludeert dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om zicht te houden op de veiligheid, dagbesteding en ontwikkeling van de minderjarige.

De beschikking verlengt de ondertoezichtstelling tot de meerderjarigheid van de minderjarige, verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad en wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot zijn meerderjarigheid, het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/590261 / JE RK 20-238
datum uitspraak: 3 april 2020

verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, regio Zuid-Holland Zuid,hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,

betreffende
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2002 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,
[naam vader], hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 januari 2020, ingekomen bij de griffie op 27 januari 2020.
De mondelinge behandeling van deze zaak ter zitting met gesloten deuren stond gepland op
3 april 2020. Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan, zoals dat sinds 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter op 3 april 2020 de volgende personen telefonisch gehoord:
- [voornaam minderjarige] , die als eerste afzonderlijk is gehoord;
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .
De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen - gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden - in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te kunnen komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
[voornaam minderjarige] verblijft bij een vriendin [naam vriendin] en haar moeder [naam moeder vriendin] .
Bij beschikking van 12 april 2019 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 april 2020.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 oktober 2019 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 12 april 2020. Aangezien hier geen gebruik van is gemaakt, is deze machtiging na drie maanden verlopen.

De verzoeken en het standpunt van de GI

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot de datum van zijn meerderjarigheid, te weten tot 29 september 2020. Tevens wordt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht tot 29 september 2020.
De GI heeft ter zitting de verzoeken gehandhaafd en als volgt toegelicht. De belangrijkste reden hiervoor is dat de GI de hulp die is ingezet vanuit Kenter wil continueren. Het inzetten van hulp heeft de GI veel moeite gekost, mede doordat [voornaam minderjarige] de jeugdbeschermer veel buiten spel heeft gezet. Na de zitting in oktober 2019 heeft de GI toestemming gekregen van de ouders om [voornaam minderjarige] aan te melden bij Kenter Jeugdhulp. Er is begonnen met diagnostiek, systeemtherapie en ambulante begeleiding voor dagbesteding. De GI merkt dat [voornaam minderjarige] alleen gemotiveerd is voor de dingen die hij zelf wil. Kenter heeft in het begin laten weten dat [voornaam minderjarige] niet aan alles wilde meewerken en dat [voornaam minderjarige] aangaf geen ondersteuning nodig te hebben. De medewerking die [voornaam minderjarige] nu geeft, geschiedt alleen onder zijn eigen voorwaarden. De GI vraagt zich daarom af hoe het hulpverleningstraject verder zou verlopen zonder druk van de ondertoezichtstelling. De GI acht een ondertoezichtstelling langer noodzakelijk om zicht te houden op zijn dagbesteding en thuissituatie. Zonder deze maatregel zou [voornaam minderjarige] de hulp afhouden, wat negatieve gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid en verdere ontwikkeling. Omdat de zorgen nog niet zijn afgenomen, vraagt de GI ook een machtiging tot uithuisplaatsing. De GI hoop dat er vanuit Kenter meer zicht wordt verkregen op de thuissituatie van [voornaam minderjarige] . De GI is van mening dat zijn verblijf bij zijn vriendin geen goede plek voor hem is, omdat hij daar te weinig tegengeluid krijgt te horen en geen sturing krijgt. Kenter zal bezien of een uithuisplaatsing nodig is voor zijn verdere ontwikkeling.

Het standpunt van belanghebbenden

De moeder heeft ter zitting ingestemd met de verzoeken van de GI. Hoewel [voornaam minderjarige] heeft aangegeven veel zelf te hebben geregeld, heeft hij daarbij veel hulp gehad van de GI. De GI heeft ervoor gezorgd dat hij vorig jaar zijn school kon afmaken. [voornaam minderjarige] is heel slim en weet precies wie wat wil horen. Zo zegt hij dat hij bezig is met het herstellen van het contact met de moeder, maar hij zoekt alleen contact met de moeder via de e-mail wanneer hij geld nodig heeft. Dat is niet veranderd ten opzichte van de vorige zitting in oktober 2019. De moeder vindt de door de GI verzochte maatregelen nodig als stok achter de deur, om [voornaam minderjarige] ertoe aan te zetten mee te werken met de hulpverlening van Kenter.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] kampt met een kindeigen problematiek, een negatief zelfbeeld en emotie regulatie problemen. Deze problematiek wordt versterkt door de verstoorde opvoedsituatie, waarbij de ouders een afwachtende houding laten zien. Dit terwijl [voornaam minderjarige] door zijn problematiek behoefte heeft aan verbondenheid. Na de scheiding van de ouders is het hen tot op heden niet gelukt om tot een samenwerking te komen die het meest tegemoet komt aan het belang van [voornaam minderjarige] . Het tekort aan emotionele betrokkenheid lijkt [voornaam minderjarige] nu te zoeken in zijn huidige woonplek bij zijn vriendin en haar moeder.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.
Als het gaat om een machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder overweegt de kinderrechter dat het verzoek hiertoe niet concreet is onderbouwd. De kinderrechter concludeert dat dan ook niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, BW en wijst het verzoek af.
Er is op dit moment geen concreet zicht op een plaatsing van [voornaam minderjarige] in een dergelijke accommodatie, omdat niet duidelijk is of de noodzaak hiervoor bestaat. Kenter verricht op dit moment onderzoek en zal op basis daarvan bezien welke hulp en eventuele behandeling voor [voornaam minderjarige] noodzakelijk is. Mocht in de nabije toekomst hieruit komen dat een plaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aangewezen is, dan kan de GI opnieuw een verzoek indienen. Hierbij zal ook acht moeten worden geslagen op de tijd die nog resteert tot [voornaam minderjarige] de achttienjarige leeftijd heeft bereikt en - eventueel - of de noodzakelijk geachte behandeling ook tot na zijn 18e kan worden voortgezet.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 29 september 2020;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 april 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.