Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:3272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2020
Publicatiedatum
12 april 2020
Zaaknummer
FT RK 20-100
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring van besloten vennootschap wegens betalingsonmacht ondanks betalingsregelingen

De besloten vennootschap [betrokkene 1] BEHEER B.V. verzocht de rechtbank Rotterdam om het faillissement uit te spreken van [betrokkene 2] HOLDING B.V. wegens het niet betalen van een hypothecaire geldlening en andere schulden. De vordering van verzoekster bedroeg €282.106,70 en was sinds december 2018 geheel onbetaald. Verweerster erkende de vorderingen maar verzocht uitstel tot oktober 2020 om de woning te verkopen en schuldeisers te voldoen.

De rechtbank hanteerde de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken vanwege de Corona-crisis en hoorde partijen telefonisch. Ondanks de toezeggingen van verweerster was er geen concreet betalingsvoorstel om de periode tot oktober te overbruggen. De rechtbank oordeelde dat het faillissement niet langer uitgesteld kon worden, mede omdat een faillissement de verkoop van de woning niet verhindert.

De rechtbank stelde vast dat er sprake was van meerdere schuldeisers met opeisbare vorderingen en dat verweerster in staat van faillissement verkeerde. Op grond van artikel 6 lid 3 Faillissementswet Pro werd het faillissement uitgesproken, een rechter-commissaris benoemd en een curator aangesteld. Het vonnis werd op 7 april 2020 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de vennootschap failliet wegens het niet voldoen van opeisbare vorderingen ondanks eerdere betalingsregelingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 7 april 2020
VONNIS op het op 17 februari 2020 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[betrokkene 1] BEHEER B.V.,
gevestigd te Heinenoord,
verzoekster,
advocaat mr. Z.B. Gyömörei,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[betrokkene 2] HOLDING B.V.,
Edisonstraat 12
3261 LD Oud-Beijerland,
statutair gevestigd te Klaaswaal,
verweerster.

1.De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis (hierna: TARIC), verzoekster en verweerster schriftelijke geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 31 maart 2020 onder toezending van een formulier waarop verzoekster en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.
Op 27 maart 2020 is van verzoekster en op 30 maart 2020 is van verweerster het voornoemde formulier ontvangen ter griffie van deze rechtbank.
Ter zitting van 31 maart 2020 is, conform TARIC, telefonisch gehoord:
  • namens verzoekster, mr. Z.B. Gyömörei;
  • namens verweerster, [betrokkene 3] , bestuurder.
De uitspraak is bepaald op heden.
Bij e-mails van 4 en 6 april 2020 aan de rechtbank hebben respectievelijk verweerster en verzoekster nadere stukken overgelegd. Deze stukken zijn echter toegezonden op het moment dat al een datum voor uitspraak was bepaald en zullen dus bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

2.De standpunten

Verzoekster heeft het faillissement van verweerster aangevraagd stellende dat verweerster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen nu zij zowel de vordering van verzoekster als andere vorderingen onbetaald laat. De vordering van verzoekster bedraagt in hoofdsom (inclusief rente minus aflossing) € 282.106,70 en komt voort uit een op 1 oktober 2017 verstrekte hypothecaire geldlening. Verweerster heeft vanaf het moment van het verlenen van de geldlening nooit de gehele termijnbetalingen voldaan en heeft sinds december 2018 helemaal niets meer voldaan. De steunvorderingen bestaan uit schulden aan [betrokkene 4] Financiële Dienstverlening ad € 51.058,67 (+p.m) en Makelaars & Taxatiekantoor [betrokkene 5] ad € 1.857,35. Ter terechtzitting van 31 maart 2020 heeft verzoekster haar verzoek gehandhaafd en heeft daaraan toegevoegd dat er ondanks diverse betalingsafspraken en diverse toezeggingen van de zijde van verweerster niet betaald is. Verzoekster heeft geen vertrouwen meer in de nakoming van nieuwe afspraken of toezeggingen. Dat laatste ziet met name op de meest recente toezeggingen van verweerster dat op korte termijn de woning wordt verkocht, waarna de schuldeisers uit de overwaarde van de woning na verkoop van de woning kunnen worden voldaan.
Verweerster heeft ter zitting de vordering van verzoekster en het bestaan van de steunvorderingen niet betwist. Verweerster verzoekt de behandeling van het faillissementsverzoek aan te houden tot na 1 oktober 2020, zodat zij in de gelegenheid wordt gesteld de woning te verkopen en van de overwaarde haar schuldeisers te voldoen. Er is thans een koper voor de woning en het voorlopig koopcontract wordt op zeer korte termijn ondertekend. In de periode tussen nu en oktober 2020 is verweerster bereid de maandelijkse termijnbetalingen van de geldlening van verzoekster te voldoen.

3.De beoordeling

Ingevolge artikel 6, lid 3 van de Faillissementswet (hierna Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl ten minste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank stelt vast dat het bestaan en onbetaald laten van de hoofdvordering niet wordt betwist door verweerster. Verder constateert de rechtbank dat er sprake is van onweersproken en onbetaalde steunvorderingen. Nu verweerster in het verleden reeds uitstel van betaling met de bijbehorende betalingsregelingen heeft gekregen en daarmee ruim de gelegenheid heeft gehad om een oplossing te vinden die het faillissement had kunnen afwenden, ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van het onderhavige rekest nog langer aan te houden. Ook ter terechtzitting op 31 maart 2020 heeft verweerster geen concreet betalingsvoorstel voldaan om de periode tot 1 oktober 2020 te overbruggen. Daarbij komt dat een faillissement niet aan de verkoop van de woning in de weg staat, zodat ook tijdens een faillissement de overwaarde van de woning kan worden gebruikt om de schuldeisers te voldoen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
Het faillissement dient dan ook uitgesproken te worden.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

4.De beslissing

De rechtbank,
- verklaart [betrokkene 2] HOLDING B.V. voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. W.J. Roos-van Toor, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. H. van der Schouw, advocaat te Oud-Beijerland;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020 te 10:00 uur. [1]
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.