De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 maart 2020 een zaak betreffende de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna [voornaam minderjarige 1], die uit huis geplaatst is vanwege huiselijk geweld en overbelasting met zorgtaken binnen het gezin. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over vier kinderen, waarvan drie nog thuis wonen. De voorlopige ondertoezichtstelling was reeds verleend tot 10 juni 2020.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) verzochten verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en een machtiging tot uithuisplaatsing van de jongere kinderen vanwege structurele onveiligheid en oververmoeidheid van de moeder. De moeder erkende de situatie maar vond de termijn van drie maanden te lang en was terughoudend in medewerking aan gezinsopname.
De kinderrechter oordeelde dat verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding, zodat hij zich kan ontwikkelen zonder de zware zorgtaken. Het verzoek tot uithuisplaatsing van de jongere kinderen werd afgewezen omdat onvoldoende spoedeisendheid was aangetoond. De beslissing over de definitieve ondertoezichtstelling en eventuele verdere uithuisplaatsing wordt aangehouden tot 27 mei 2020, waarbij een rapportage van de Raad wordt verlangd.
De zitting vond telefonisch plaats vanwege COVID-19 maatregelen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.