Op 27 juni 2019 werd tijdens een preventief fouilleeractie in Rotterdam een vuurwapen met munitie aangetroffen in de auto van de verdachte. Hoewel de verdachte verklaarde dat hij niet wist van het wapen en dat de auto was uitgeleend aan een bekende, achtte de rechtbank zijn verklaring ongeloofwaardig. Het DNA van de verdachte werd op het wapen aangetroffen, wat volgens de rechtbank voldoende bewijs was voor het voorhanden hebben van het vuurwapen.
De verdachte werd vrijgesproken van de tenlastelegging met betrekking tot drugsbezit, omdat de aangetroffen stoffen niet laboratoriumonderzoek hadden ondergaan en daardoor niet wettig en overtuigend bewezen konden worden. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een laag IQ, impulsiviteit en eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten.
De rechtbank legde een gevangenisstraf op van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden zoals ambulante begeleiding door Humanitas, medewerking aan een IQ-onderzoek en reclasseringstoezicht. De straf is lager dan geëist vanwege de vrijspraak voor het drugsfeit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.