ECLI:NL:RBROT:2020:3357

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
14 april 2020
Zaaknummer
8292727 CV EXPL 20-3516
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:96 lid 5 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand met betalingsregeling

De stichting Woningstichting Samenwerking Vlaardingen vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens een huurachterstand van €667,95. De huurder erkent de achterstand en stelt privéproblemen te hebben gehad, maar is sinds januari 2020 weer aan het werk en wil de achterstand aflossen met een maandelijkse betaling van €450 naast de lopende huur.

De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand niet is betwist en dat deze voldoende hoog is om ontbinding te rechtvaardigen. De woningstichting stemt in met een voorwaardelijke ontbinding, waarbij de huurder verplicht wordt de achterstand en de lopende huur tijdig te voldoen volgens de betalingsregeling.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, buitengerechtelijke incassokosten en rente, en tot betaling van de proceskosten. Indien de huurder niet aan de betalingsverplichtingen voldoet, wordt de huurovereenkomst ontbonden en volgt ontruiming van de woning. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst met betalingsregeling en bij niet-nakoming ontruiming.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8292727 CV EXPL 20-3516
uitspraak: 10 april 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de stichting
Woningstichting Samenwerking Vlaardingen,
gevestigd te Vlaardingen,
eiseres,
gemachtigde: Van Houwelingen & Partners te Vlaardingen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘Woningstichting’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding van 27 januari 2020, met producties;
  • de aantekeningen van 11 februari 2020 van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;
  • de ter rolzitting van 12 maart 2020 door Woningstichting ingediende schriftelijke reactie.
1.2
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
Tussen Woningstichting als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] , te Vlaardingen (hierna: het gehuurde).
2.2
Uit hoofde van deze huurovereenkomst is [gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling een huurprijs aan Woningstichting verschuldigd, laatstelijk bedragend € 222,65 per maand.

3..De vordering

3.1
Woningstichting heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Woningstichting van € 667,95 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand januari 2020, € 80,83 aan buitengerechtelijke kosten en € 1,43 aan vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over de bij dagvaarding genoemde hoofdsom ad € 667,95, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
Aan haar vordering heeft Woningstichting – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1
[gedaagde] is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met de tijdige betaling van de verschuldigde huurpenningen en heeft tot en met de maand januari 2020 een huurachterstand van € 667,95 laten ontstaan, hetgeen de ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
3.2.2
Door de wanbetaling van [gedaagde] zag Woningstichting zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Op 16 december 2019 heeft de gemachtigde van Woningstichting [gedaagde] aangemaand. De gemaakte kosten van € 80,83 komen op grond van artikel 6:96 lid 5 BW Pro voor rekening van [gedaagde] .
3.2.3
Voorts maakt Woningstichting aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van € 1,43 berekend tot 24 januari 2020.

4..Het verweer

[gedaagde] heeft de door Woningstichting gestelde hoogte en verschuldigdheid van de huurachterstand niet betwist. Sinds september 2019 is [gedaagde] woonachtig in het gehuurde. Hij had privéproblemen waardoor hij zijn baan is kwijtgeraakt. Sinds januari 2020 heeft [gedaagde] een nieuwe baan en heeft hij hulp gezocht bij een psycholoog om zijn problemen op te lossen. Verder heeft [gedaagde] aangegeven bereid en in staat te zijn de achterstallige huurpenningen af te lossen met een bedrag van € 450,- per maand, naast betaling van de lopende huur.

5..De beoordeling van de vordering

5.1
Nu [gedaagde] het bestaan en de hoogte van de door Woningstichting gestelde huurachterstand van € 667,95 niet heeft betwist, zal dit bedrag worden toegewezen.
5.2
Ten aanzien van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Uit rechtsoverweging 5.1 volgt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen jegens Woningstichting. Gelet op de hoogte van de huurachterstand is in ieder geval geen sprake van een tekortkoming van geringe betekenis. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de tekortkoming van bijzondere aard is. Bovendien acht de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd, gelet op het belang van Woningstichting bij een huurder die (tijdig) aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet. De kantonrechter begrijpt echter dat Woningstichting ermee instemt dat de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk worden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurpenningen stipt betaald worden aan Woningstichting en daarnaast de huurachterstand en de kosten van de procedure worden voldaan met een betaling van € 450,- per maand vanaf mei 2020 aan de gemachtigde van Woningstichting. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde zullen daarom slechts worden toegewezen, indien [gedaagde] niet aan de voornoemde betalingsverplichtingen voldoet.
5.3
Woningstichting maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van de hoofdsom in de aanmaning van 16 december 2019. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 80,83.
5.4
De gevorderde vervallen rente van € 1,43 zal als onweersproken worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente vanaf 24 januari 2020 zal worden toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.
5.5
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Woningstichting tegen kwijting te betalen € 750,21 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand januari 2020, buitengerechtelijke kosten en vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro over het saldo dat vanaf de dag van dagvaarding aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke debet- en creditmutatie heeft uitgestaan tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woningstichting vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 120,- aan salaris voor de gemachtigde;
staat [gedaagde] toe om het totaal van deze aan Woningstichting verschuldigde bedragen, inclusief rente en kosten zoals hierboven genoemd aan de gemachtigde van Woningstichting te betalen in maandelijkse termijnen van in ieder geval € 450,- met ingang van 1 mei 2020 en daarnaast de lopende huur aan Woningstichting te betalen;
bepaalt dat wanneer [gedaagde] deze betalingsverplichtingen niet behoorlijk nakomt het ingevolge dit vonnis nog verschuldigde bedrag geheel ineens opeisbaar zal zijn;
en bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] deze betalingsverplichtingen niet behoorlijk nakomt:
ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Woningstichting te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om aan Woningstichting te betalen € 222,65 per maand met ingang van de maand februari 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, ook die laatste maand voor een gehele te rekenen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44485