De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 april 2020 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind, geboren in 2006. De moeder en vader zijn gescheiden en het kind woont bij de vader. De Raad stelde dat de communicatie tussen ouders zodanig slecht is dat het kind klem zit en dat de moeder niet meewerkt aan hulpverlening en contact.
Tijdens de zitting, die vanwege COVID-19 telefonisch plaatsvond met een beëdigde tolk Farsi, werd vastgesteld dat de moeder het contact met de GI en hulpverlening heeft verbroken en de omgang met het kind heeft stopgezet, wat het kind in een loyaliteitsconflict brengt. De vader ondersteunt het verzoek en het belang van het kind bij stabiliteit en duidelijkheid staat centraal.
De rechtbank overwoog dat het gezamenlijk gezag door de conflicten en de handelwijze van de moeder een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van het kind. De moeder is niet in staat het gezag verantwoord uit te oefenen en verbetering is niet te verwachten. Daarom wordt het gezag van de moeder beëindigd en krijgt de vader het eenhoofdig gezag. De moeder blijft wel telefonisch contact met het kind houden. Tevens wordt zij veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind.