In deze zaak staat centraal of tussen [naam 1] en Barkaris B.V. twee arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen en of Barkaris gehouden is loon en onkostenvergoeding te betalen. [naam 1] vordert betaling van achterstallig loon, onkostenvergoeding, vakantiegeld en wettelijke verhoging. Barkaris betwist dat er een arbeidsovereenkomst is uitgevoerd en stelt dat [naam 1] mogelijk voor een gelieerde onderneming, [bedrijf], heeft gewerkt en door die onderneming is betaald.
De kantonrechter overweegt dat de getekende arbeidsovereenkomsten duidelijk zijn en dat de ingangsdatum, duur en onkostenvergoeding zijn vastgelegd en geparafeerd. Hoewel Barkaris stelt dat de overeenkomsten zijn gesloten vanwege een vriendschappelijke relatie en niet zijn uitgevoerd, is voorshands bewezen dat de schriftelijke overeenkomsten de gemaakte afspraken juist weergeven. Barkaris krijgt de gelegenheid tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door aan te tonen dat sprake is van een schijnovereenkomst of dat [naam 1] alleen een arbeidsovereenkomst met [bedrijf] had.
Daarnaast is vastgesteld dat [naam 1] in de periode wel heeft gewerkt, maar partijen twisten over voor welke entiteit. De kantonrechter merkt op dat werkzaamheden voor een gelieerde entiteit niet zonder meer het recht op loon van Barkaris uitsluiten. Het verweer van Barkaris dat [naam 1] zijn rechten heeft verwerkt wordt verworpen, omdat tijdsverloop alleen niet voldoende is voor rechtsverwerking.
De kantonrechter bepaalt dat partijen zich uiterlijk op de rolzitting van 21 april 2020 schriftelijk moeten uitlaten over de berekening van de vermindering van eis en het te leveren bewijs, waaronder eventueel getuigenverhoren. De beslissing wordt aangehouden voor verdere behandeling.