ECLI:NL:RBROT:2020:3673
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voortzetting crisismaatregel wegens ontbreken onmiddellijk dreigend ernstig nadeel
De officier van justitie verzocht op 8 april 2020 om voortzetting van een op 7 april 2020 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die lijdt aan autisme en een paranoïde persoonlijkheidsstoornis. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 april 2020, waarbij betrokkene, haar advocaat, een psychiater en haar ouders telefonisch werden gehoord.
De rechtbank beoordeelde de criteria van artikel 7:7 Wvggz Pro in samenhang met artikel 7:8 Wvggz Pro en concludeerde dat voortzetting van de crisismaatregel alleen mogelijk is bij onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt door gedrag voortvloeiend uit een psychische stoornis. Hoewel betrokkene eerder in crisis verkeerde en opgenomen was, was het onrustige toestandsbeeld afgenomen en stelde zij zich meewerkend op.
De advocaat voerde aan dat een gedwongen opname een uiterste middel is en dat betrokkene voldoende ondersteuning kan krijgen via ambulante zorg. De rechtbank oordeelde dat er geen onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is en dat betrokkene bereid is mee te werken aan medicatie en begeleiding, waardoor voortzetting van de crisismaatregel niet noodzakelijk is.
De rechtbank wees het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel af. Tegen deze beschikking staat cassatie open. De beschikking werd mondeling gegeven op 9 april 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 17 april 2020.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel is afgewezen wegens het ontbreken van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.