ECLI:NL:RBROT:2020:3697
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voortzetting crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De officier van justitie verzocht op 2 april 2020 om voortzetting van een crisismaatregel die op 1 april 2020 was opgelegd aan betrokkene, die verblijft in een zorginstelling. De mondelinge behandeling vond plaats op 3 april 2020, waarbij betrokkene en haar advocaat telefonisch werden gehoord. De officier was niet aanwezig.
De rechtbank toetste aan de criteria van artikel 7:7 Wvggz Pro in samenhang met artikel 7:8 Wvggz Pro en concludeerde dat er sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, veroorzaakt door een maniforme psychose binnen een bipolaire stoornis. Dit nadeel uitte zich in risico op ernstig lichamelijk letsel, psychische schade, materiële schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Betrokkene vertoonde agressief en ontregeld gedrag, mede door het niet innemen van medicatie.
De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk, waaronder medicatietoediening, bewegingsbeperking, insluiting, beperkingen in eigen levensinrichting en opname in een accommodatie. Hoewel betrokkene zich tegen de zorg verzette, vond de rechtbank geen minder bezwarende alternatieven en verwierp het verweer dat medicatie vrijwillig werd ingenomen. De maatregel werd als evenredig en effectief beoordeeld.
De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor een periode van drie weken, tot en met 24 april 2020. Het meer of anders verzochte werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend voor drie weken met verplichte zorgmaatregelen.