ECLI:NL:RBROT:2020:3734

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2020
Publicatiedatum
22 april 2020
Zaaknummer
8243482 VZ VERZ 19-21966
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 2 BWArt. 7:677 lid 3 sub a BWArt. 7:686a lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens werkweigering is rechtsgeldig

De zaak betreft een verzoek van de werkgever om de werknemer te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding na ontslag op staande voet wegens werkweigering. De werknemer is op 31 oktober 2019 ontslagen nadat hij zonder kennisgeving niet is verschenen bij de opdrachtgever, ondanks een waarschuwing de dag ervoor.

De werknemer is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling en heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter stelt vast dat de betekening van het verzoekschrift rechtsgeldig is verlopen en dat de werknemer op de hoogte moet zijn van de procedure. Bij gebreke van verweer wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de werkgever.

De kantonrechter concludeert dat de werknemer door zijn gedrag een dringende reden heeft gegeven voor ontslag op staande voet conform artikel 7:677 lid 2 BW Pro. Hierdoor is de werknemer de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd zoals bedoeld in lid 3 sub a van dat artikel. De gevorderde vergoeding van € 1.508,00 wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst.

Daarnaast wordt de werknemer veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is terecht en werknemer moet schadevergoeding van € 1.508,00 plus rente betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8243482 VZ VERZ 19-21966
uitspraak: 4 maart 2020
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[verzoeker],
handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats verzoeker] , zaakdoende te [plaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. M.E.J. Elemans, werkzaam bij SRM Rechtsbijstand te Nijmegen,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats verweerder] ,
verweerder,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ [verweerder] ”.

1..Het verloop van de procedure

1.1
[verzoeker] heeft overeenkomstig het verzoekschrift ex artikel 7:677 lid 2 en Pro lid 3 sub a BW, met producties, ontvangen op 31 december 2019, verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 1.508,00 aan schadevergoeding, dan wel een door de kantonrechter te bepalen vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020, alwaar [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. [verweerder] is niet in de procedure verschenen. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is aan de zijde van [verzoeker] een (fax)brief van 18 februari 2020, met producties, overgelegd.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2..De beoordeling van het verzoek

2.1
[verweerder] is niet ter zitting verschenen. (De gemachtigde van) [verzoeker] heeft meegedeeld niets meer te hebben vernomen van [verweerder] . Bij voormelde (fax)brief van 18 februari 2020 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een afschrift van het exploot van het op 14 februari 2020 betekende verzoekschrift overgelegd. Gebleken is dat de betekening heeft plaatsgevonden door middel van het achterlaten van een gesloten envelop in de brievenbus van het adres waarop [verweerder] thans staat ingeschreven. Dit is een rechtsgeldige betekening. Dit betekent dat [verweerder] op de hoogte moet worden geacht van het onderhavige verzoek en de zittingsdatum. [verweerder] heeft geen bericht van verhindering toegestuurd. Indien [verweerder] meer tijd nodig had gehad om verweer te voeren tegen het verzoek en om daarvoor eventueel een gemachtigde in te schakelen, had het op zijn weg gelegen om de kantonrechter om uitstel te verzoeken. Nu [verweerder] dat niet heeft gedaan, wordt ervan uitgegaan dat hij geen verweer wenst te voeren.
2.2
Bij gebreke van verweer daartegen, moet in rechte worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [verzoeker] . Dit betekent dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat [verweerder] op goede gronden op 31 oktober 2019 op staande voet is ontslagen, nadat hij ondanks een waarschuwing op 30 oktober 2019 in verband met werkweigering op 31 oktober 2019 zonder kennisgeving niet is verschenen bij de opdrachtgever van [verzoeker] .
Dit leidt tot de conclusie dat [verweerder] door opzet of schuld aan [verzoeker] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW Pro. Daardoor is [verweerder] de in lid 3 sub a van dat artikel genoemde (gefixeerde) schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De gevorderde vergoeding van € 1.508,00 is als brutobedrag in ieder geval toewijsbaar en wordt dan ook toegewezen.
2.3
De wettelijke rente over voormelde vergoeding is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
2.4
[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 1.508,00 bruto aan vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 31 oktober 2019, zijnde de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te voldoen de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 231,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris van de gemachtigde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
764