De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor twaalf maanden vanwege een verstoorde ouderrelatie en het ontbreken van contact tussen de minderjarige en haar vader sinds juni 2019. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar de minderjarige woont bij de moeder.
De moeder is ambivalent en niet in staat duidelijkheid te bieden over het contact met de vader, terwijl de vader regelmatig in Turkije verblijft, wat de omgang bemoeilijkt. De hulpverlening in het vrijwillige kader bleek onvoldoende om het contact te herstellen. De minderjarige wijst haar vader af en heeft een negatief beeld van hem, hoewel zij te jong is om de gevolgen hiervan te overzien.
De kinderrechter oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is dat zij onbelast contact heeft met beide ouders en dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk is om het contact te herstellen. Gezien de ernst van de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het niet voldoen aan het wettelijke criterium, werd de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden uitgesproken.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020 door kinderrechter M.J.M. Marseille en schriftelijk vastgesteld op 22 april 2020. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.