ECLI:NL:RBROT:2020:3828

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2020
Publicatiedatum
24 april 2020
Zaaknummer
C/10/594220 / FA RK 20-2278
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WzdArt. 24 lid 1 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing rechterlijke machtiging opname psychogeriatrische cliënt met Alzheimer

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van een cliënt met een psychogeriatrische aandoening, de ziekte van Alzheimer, op grond van artikel 26 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd).

De mondelinge behandeling vond plaats op 17 april 2020, waarbij de cliënt, zijn advocaat, huisarts en twee kinderen telefonisch werden gehoord. De rechtbank beoordeelde of het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn aandoening leidde tot ernstig nadeel en of opname noodzakelijk was om dit te voorkomen, waarbij minder ingrijpende alternatieven moesten ontbreken.

Uit de medische verklaring en de toelichting van de zoon bleek dat het netwerk nog voldoende zorg kon bieden en dat opname vanwege de coronacrisis onveilig werd geacht. De rechtbank oordeelde dat het ernstig nadeel niet zodanig was dat opname noodzakelijk was en wees het verzoek af.

Tegen deze beschikking staat cassatie open. De beschikking werd mondeling gegeven op 17 april 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 23 april 2020.

Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging voor opname wordt afgewezen omdat opname niet noodzakelijk is en het ondersteunend netwerk nog niet is uitgeput.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/594220 / FA RK 20-2278
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 17 april 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 26 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het Centrum Indicatiestelling Zorg,hierna: CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënt],
geboren op [geboortedatum cliënt] , [geboorteplaats cliënt] [geboorteland cliënt] ,
hierna: cliënt,
wonende te [adres cliënt] , [postcode cliënt] [woonplaats cliënt] ,
advocaat mr. R.A.F. Jansen te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 1 april 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
 het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 13 november 2019;
 de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door L. Goedhart, arts, van 4 maart 2020;
 de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 1 april 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 april 2020. Bij die gelegenheid zijn (conform de Tijdelijke regeling F&J rechtbanken i.v.m. Corona) telefonisch gehoord:
 cliënt met zijn hierboven genoemde advocaat;
 [naam huisarts] , huisarts,
 [naam zoon] , zoon van cliënt,
 [naam dochter] , dochter van cliënt.

2..Beoordeling

2.1.
De rechter kan op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro. De machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap leidt tot ernstig nadeel, de opname en het verblijf noodzakelijk zijn om het nadeel te voorkomen of af te wenden en er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat cliënt lijdt aan de psychogeriatrische aandoening te weten de ziekte van Alzheimer. De rechtbank is van oordeel dat deze aandoening niet zodanig is dat het ernstig nadeel dat daaruit voortvloeit niet op een andere manier kan worden afgewend. De zoon verklaart ter zitting dat het netwerk op dit moment voldoende mogelijkheden heeft om de noodzakelijke zorg voor cliënt te bieden. Daarnaast vindt de zoon het nu onverantwoord en onveilig, gelet op de coronacrisis, om cliënt in een verpleeghuis op te laten nemen.
2.3.
Gelet op het voornoemde zal het verzoek worden afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 17 april 2020 mondeling gegeven door mr. F.J. Koningsveld, rechter, in tegenwoordigheid van S.M. Plaisier-van Welie, griffier en op 23 april 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.