ECLI:NL:RBROT:2020:3921

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 april 2020
Publicatiedatum
29 april 2020
Zaaknummer
C/10/591061 / JE RK 20-367 en C/10/594815 / JE RK 20-992
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De rechtbank Rotterdam heeft op 14 april 2020 een beschikking uitgevaardigd waarbij twee minderjarigen, geboren in 2004 en 2013, onder toezicht worden gesteld en machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor de duur van negen maanden. Dit besluit volgt op ernstige zorgen over hun ontwikkeling, veroorzaakt door een onveilige en instabiele thuissituatie met onder meer ernstige vervuiling, verwaarlozing en fysiek geweld.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de samenwerking met haar verloopt moeizaam. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond hebben het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ingediend. De moeder ontkent kindproblematiek en stelt dat ambulante hulpverlening volstaat, maar erkent de problemen in huis niet volledig.

De minderjarigen verblijven momenteel in een jeugdhulpaccommodatie en een pleeggezin. De rechtbank acht de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding, gelet op de meervoudige problematiek, waaronder verwaarlozing, buitensporige straffen en onvoldoende emotionele ondersteuning. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarigen onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaakgegevens: Zaakgegevens: C/10/591061 / JE RK 20-367 en C/10/594815 / JE RK 20-992
datum uitspraak: 14 april 2020

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende
[naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2004 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 1]
,
[naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2013 te [geboorteplaats minderjarige 2] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 6 februari 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank, en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de raadsrapporten van 10 april 2020, tevens inhoudende de definitieve verzoeken, ingekomen bij de griffie op 10 april 2020;
- het verweerschrift van de moeder, ingekomen bij de griffie op 13 april 2020;
- de brief van de GI van 14 april 2020, ingekomen bij de griffie op 14 april 2020.
Op 14 april 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen.
Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.
De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 14 april 2020, gelijktijdig telefonisch gehoord:
- de minderjarige [voornaam minderjarige 1] , die apart is gehoord,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R.F.H. Tamboenan,
- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .
De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.
Bij beschikking van 6 februari 2020 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 mei 2020.
De kinderrechter heeft bij deze beschikking van 14 februari 2020 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verzocht voor de duur van negen maanden. Tevens heeft de Raad voor dezelfde duur de uithuisplaatsing verzocht van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg.
De Raad heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen. De afgelopen jaren zijn onveilig en instabiel geweest. De woning waarin zij met de moeder verbleven was, zo is vastgesteld tijdens een huisbezoek op 6 februari 2020 door de Raad en de GI, ernstig vervuild. Er werden op diverse plaatsen - waaronder stapels kleding - uitwerpselen aangetroffen, schimmel op matrassen, etensresten, honderden vliegen en heel veel rommel. Er zijn daarnaast ernstige zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder. De minderjarigen werden buitensporig gestraft en moesten taken vervullen waar zijn nog niet aan toe zijn. De moeder heeft veel meegemaakt en heeft soms moeite het overzicht te houden. Zij is argwanend en de samenwerking met haar verloopt moeizaam. De school van [voornaam minderjarige 1] en het wijkteam hebben grote zorgen geuit. [voornaam minderjarige 1] heeft op enig moment aangegeven niet meer naar huis te willen.
[voornaam minderjarige 2] is niet in staat zich op een normale wijze te ontlasten en poept regelmatig in haar broek. Ook haar school heeft zorgen geuit, onder andere over haar leerachterstand en persoonlijke hygiëne.

Het standpunt van de GI

De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad en bevestigt dat de samenwerking met de moeder moeizaam verloopt. Het is de moeder in het verleden ook niet gelukt om voor haar andere kinderen te zorgen. Het is zorgelijk dat de moeder de verantwoordelijkheid over de hygiëne bij de minderjarigen neerlegt.

Het standpunt van de moeder

Namens en door de moeder is verweer gevoerd. Namens de moeder is in aanvulling op het verweerschrift naar voren gebracht dat een verzoek tot ondertoezichtstelling in maart 2018 nog is afgewezen. De moeder ontkent dat sprake is geweest van fysiek geweld tegen [voornaam minderjarige 1] .
De moeder heeft hieraan toegevoegd dat er veel speelde rondom [voornaam minderjarige 1] . Zij zit in de puberteit en zat tussen haar broer en vader in. Daarnaast was ze bezig met school en stage en het was voor haar lastig om daarmee om te gaan. [voornaam minderjarige 1] is vermoedelijk seksueel actief en heeft contact met jongens tussen de 18 en 21 jaar. De politie is daarbij betrokken geweest, omdat ze regelmatig te laat thuis kwam.
[voornaam minderjarige 2] mist haar broer, omdat hij nu bij de vader woont. Zij ligt daar ’s nachts wakker van en de moeder probeert haar te troosten door leuke dingen te doen. [voornaam minderjarige 2] poept regelmatig in haar broek en dat doet zij in de hoop dat haar broer weer thuis komt wonen. De moeder heeft hier hulp voor gevraagd, maar heeft dit niet gekregen.
De moeder voelt zich als persoon niet gehoord en gezien in de maatschappij. De situatie thuis oversteeg de moeder, waardoor het haar niet meer lukte om het huis schoon te houden. [voornaam minderjarige 1] hield zich niet aan afspraken en loog tegen de moeder.
Namens de moeder wordt aangevoerd dat geen sprake is van kindproblematiek. De problemen rondom de hygiëne thuis kunnen worden opgelost met ambulante hulpverlening. De moeder is bereid om die hulpverlening te accepteren.

De mening van [voornaam minderjarige 1]

heeft verteld dat zij momenteel op de crisisopvang verblijft en dat zij naar een pleeggezin zal gaan waar vier andere kinderen wonen. Het pleeggezin heeft twee konijnen en een kat. Bij de moeder thuis ging het niet goed, omdat de moeder snel boos werd. [voornaam minderjarige 1] wil momenteel geen contact met haar ouders.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en momenteel niet terug kunnen naar huis. In het gezin is sprake van meervoudige problematiek, waarbij ook sprake is van verwaarlozing en fysiek geweld tegen [voornaam minderjarige 1] . Met name [voornaam minderjarige 1] is belast met veel verantwoordelijkheden thuis, waardoor zij niet goed aan haar eigen ontwikkeling toekomt en dat is zorgelijk. Bij [voornaam minderjarige 2] is sprake van broekpoepen. Dit gebeurt zowel thuis als op school. In het huidige pleeggezin gaat dit beter omdat de pleegouders hier specifieke hulp voor hebben gezocht. Als [voornaam minderjarige 2] spanning ervaart, valt zij soms terug in deze zorgelijke gewoonte. Daarnaast is er bij haar sprake van een ontwikkelingsachterstand op het gebied van lezen en schrijven.
De minderjarigen zijn in de afgelopen jaren opgegroeid in een onveilige en instabiele omgeving, waarbij onder meer sprake was van een zwaar vervuilde woning. Er lagen etensresten en uitwerpselen op de vloer, er was sprake van schimmel en zichtbare ongedierte en de vloer op de bovenverdieping was door de aanwezige troep niet meer zichtbaar. De moeder erkent haar aandeel in de problematiek niet en bagatelliseert de ernst van de situatie door de oorzaak daarvan bij [voornaam minderjarige 1] te leggen. Naast verwaarlozing hebben de minderjarigen ook weinig emotionele ondersteuning gehad van de moeder. Regelmatig was sprake van buitensporig straffen met fysieke en verbale agressie tegen met name [voornaam minderjarige 1] .
Er is een patroon zichtbaar in de problemen rondom de moeder, omdat zij vier oudere kinderen heeft die ook uit huis zijn geplaatst en geen contact meer met haar willen hebben. Er is geen netwerk dat de moeder kan ondersteunen. De moeder zegt enerzijds open te staan voor hulpverlening, maar wijst het anderzijds toch steeds weer af. Mogelijk wil de moeder wel veranderen, maar lukt haar dat door haar psychische gesteldheid niet. De kinderrechter acht het van groot belang dat een jeugdbeschermer de moeder en de minderjarigen de ondersteuning en begeleiding gaat geven die zij nodig hebben.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. Daarom zal de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing toewijzen voor de duur van negen maanden.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 14 april 2020 tot 14 januari 2021;
verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg van 14 april 2020 tot 14 januari 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
mr. W. Apeldoorn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 april 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.