De rechtbank Rotterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde die samen met anderen een grote hoeveelheid cocaïne had ingevoerd met het schip de [naam schip]. Uit afgeluisterde gesprekken bleek dat de opbrengst aanzienlijk was, waarbij de veroordeelde en zijn zoon beschikten over bijna €700.000 aan contanten en nog een bedrag en 750 gram cocaïne te ontvangen hadden.
De verdediging betoogde dat niet vaststaat dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten, omdat een deel van de gelden aan medeverdachten is betaald. De rechtbank oordeelde echter dat de veroordeelde geen plausibele verklaring gaf en dat het aannemelijk is dat hij en zijn zoon per saldo ten minste €650.000 hebben verdiend, naast de waarde van de 750 gram cocaïne.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €333.250, waarbij het voordeel gelijk verdeeld werd over de veroordeelde en zijn zoon. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd de betalingsverplichting verminderd met €10.000, zodat de veroordeelde een bedrag van €323.250 aan de staat moet betalen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Sr en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Mr. Cooijmans kon het vonnis niet medeondertekenen.