De rechtbank Rotterdam behandelde verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en het onder toezicht stellen van een ongeboren kind. De minderjarige verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin vanwege ernstige ontwikkelingsachterstanden en onvoldoende opvoedvaardigheden van de ouders.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering verzochten verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige en ondertoezichtstelling van het ongeboren kind. De ouders stemden in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar voerden verweer tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind, stellende dat zij een kans verdienen het kind zelfstandig op te voeden.
De rechtbank oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en verlengde de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor twaalf maanden. Het ongeboren kind wordt onder toezicht gesteld voor twaalf maanden, maar het verzoek tot gezagsbeëindiging en machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind wordt aangehouden voor nader onderzoek. De rechtbank benadrukte het belang van het kind en stelde vervolgonderzoek en rapportage door de Raad voor.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de zittingen vinden telefonisch plaats vanwege COVID-19 maatregelen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.