ECLI:NL:RBROT:2020:3987

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2020
Publicatiedatum
30 april 2020
Zaaknummer
C/10/593860 / FA RK 20-2085
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 7:8 WvggzArt. 1:4 Wvggz
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting van crisismaatregel op grond van de Wvggz

De officier van justitie verzocht op 26 maart 2020 om voortzetting van een op 25 maart 2020 opgelegde crisismaatregel ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een psychiatrische inrichting. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 maart 2020, waarbij betrokkene, haar advocaat en een psychiater werden gehoord. De moeder van betrokkene was niet aanwezig maar kon telefonisch haar mening geven.

De rechtbank beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 7:7 Wvggz Pro en gerelateerde bepalingen. Er werd vastgesteld dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, veroorzaakt door een psychische stoornis (depressie en persoonlijkheidsproblematiek). De crisissituatie was zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht. Betrokkene stemde niet in met de voortzetting, maar er waren geen minder bezwarende alternatieven.

De rechtbank achtte bepaalde vormen van verplichte zorg noodzakelijk, zoals bewegingsbeperking, toezicht, onderzoeken aan lichaam en verblijfsruimte, en opname in een accommodatie. Andere door de officier verzochte zorgvormen werden niet noodzakelijk geacht. De machtiging werd verleend voor een periode van drie weken, met het oog op een spoedig ontslag zodra betrokkene haar therapie kan voortzetten.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken met verplichte zorgmaatregelen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/593860 / FA RK 20-2085
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 27 maart 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende aan de [adres berokkene] , [postcode betrokkene] te [woonplaats betrokkene] ,
thans verblijvende in Yulius, locatie Boerhaavelaan te Barendrecht,
advocaat mr. R.L.I. Jansen te Dordrecht.

1..Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 26 maart 2020, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 25 maart 2020 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
 een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 25 maart 2020;
 de medische verklaring opgesteld door drs. E. ter Hoeven-Vroegindeweij, psychiater, van 25 maart 2020;
 de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
 de relevante politiegegevens en/of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 maart 2020. Bij die gelegenheid zijn (conform de Tijdelijke regeling F&J rechtbanken i.v.m. Corona) telefonisch gehoord:
 betrokkene met haar hierboven genoemde advocaat;
 drs. H. Chung, psychiater, verbonden aan Yulius, locatie Boerhaavelaan.
De moeder van betrokkene is door Yulius niet geïnformeerd over de mondelinge behandeling, waardoor zij op dat moment niet bij haar dochter in de accommodatie was. Zij is voorafgaand aan de mondelinge behandeling wel telefonisch in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken en na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de beslissing aan haar medegedeeld.
1.3.
De officier is niet telefonisch gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2..Beoordeling

2.1.
Criteria crisismachtiging
2.1.1.
Op grond van artikel 7:7 Wvggz Pro in samenhang gelezen met artikel 7:8 Wvggz Pro kan de rechter op verzoek van de officier met betrekking tot een betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze betrokkene op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro een crisismaatregel heeft genomen.
2.1.2.
Gelet op artikel 7:1 lid 1 Wvggz Pro kan deze machtiging slechts worden verleend indien er onmiddellijk dreigend nadeel is, er een ernstig vermoeden bestaan dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend nadeel veroorzaakt en met de crisismaatregel het ernstige nadeel kan worden weggenomen. Daarnaast is de crisissituatie dermate ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht en is er verzet als bedoeld in artikel 1:4 Wvggz Pro tegen de zorg.
2.1.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstig verstoorde ontwikkeling van betrokkene of van een ander en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.1.4.
Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een depressie en persoonlijkheidsproblematiek.
2.1.5.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
2.1.6.
Betrokkene weerspreekt voormelde conclusies niet en de rechtbank heeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Tijdens de mondelinge behandeling is wel besproken dat betrokkene voorafgaand aan haar ontslag afspraken moet kunnen maken met haar moeder en de psychiater over het zoeken van hulp bij suïcidale gedachten. De verwachting is dat betrokkene naar huis kan op het moment dat zij haar EMDR therapie kan voortzetten. Dit is ook belangrijk voor betrokkene, omdat, zoals ook de psychiater bevestigt tijdens de mondelinge behandeling, de situatie voor betrokkene slechter wordt als zij lang moet worden opgenomen. In het verlengde daarvan is tijdens de mondelinge behandeling besproken dat een voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken niet automatisch betekent dat betrokkene drie weken opgenomen zal zijn. Ook de psychiater wenst een spoedig ontslag voor betrokkene.
2.2.
Verplichte zorg
2.2.1.
Op basis van de medische verklaring en de mondelinge behandeling, acht de rechtbank de volgende in de crisismaatregel genomen vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
 het beperken van de bewegingsvrijheid;
 het uitoefenen van toezicht op betrokkene;
 het onderzoek aan kleding of lichaam;
 het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gevaarlijke voorwerpen;
 het opnemen in een accommodatie.
2.2.2.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de psychiater bij de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
2.2.3.
Betrokkene verzet zich tegen deze zorg. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.2.4.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.3.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na vandaag.

3..Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [naam betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.2.1. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 17 april 2020.
Deze beschikking is op 27 maart 2020 mondeling gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Jelicic, griffier, en op 1 april 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.