De rechtbank Rotterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die samen met anderen een container met een grote hoeveelheid cocaïne had uitgeladen. De vordering was gebaseerd op artikel 36e Sr en betrof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde eerder was veroordeeld.
De verdediging betwistte het bedrag van €25.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel, stellende dat dit niet eenduidig uit wettige bewijsmiddelen bleek. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde door middel van afgeluisterde gesprekken betrokken was bij het tellen van grote geldbedragen en afspraken had over beloningen in bedragen van tienduizenden euro's. Op basis hiervan werd het voordeel geschat op €25.000.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien de ontnemingsvordering op 18 januari 2017 was aangekondigd en het vonnis pas op 8 januari 2020 werd uitgesproken, bijna een jaar na het verstrijken van de termijn. Daarom werd de betalingsverplichting verminderd met 10%, waardoor de veroordeelde €22.500 moest betalen aan de staat.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Sr en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. De ontnemingsvordering wordt daarmee toegewezen met een korting wegens termijnoverschrijding.