Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Procesverloop
- de hierboven genoemde advocaat;
- mr. J.M. Tang, juridisch adviseur, namens de burgemeester.
Rechtbank Rotterdam
Betrokkene stelde beroep in tegen een crisismaatregel opgelegd door de burgemeester van Rotterdam op grond van artikel 7:6 Wvggz Pro. De rechtbank beoordeelde dat onvoldoende moeite was gedaan om betrokkene te horen, een fundamenteel rechtsbeginsel.
De hoorplicht was uitbesteed aan het Centrum van Dienstverlening (CVD), dat slechts één poging deed om betrokkene te horen, mede gebaseerd op een mededeling van het politiebureau dat het wekken van betrokkene niet bevorderlijk was voor zijn herstel. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was en dat de medewerker van het CVD zelf had moeten vaststellen of betrokkene daadwerkelijk niet gehoord wilde worden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de burgemeester in strijd met de wet handelde, wat leidde tot onrechtmatige vrijheidsbeneming. De rechtbank kende een schadevergoeding van €250 toe aan betrokkene wegens de onrechtmatige procedure. Verzoeken tot proceskostenvergoeding werden afgewezen omdat de advocaat was toegevoegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel wordt gegrond verklaard en de gemeente Rotterdam wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €250,-.