De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind bij de vader zonder gezag en een aanvullend verzoek tot plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De kinderrechter stelt vast dat het kind sinds februari 2019 bij de vader verblijft en dat het ouderlijk gezag bij de moeder berust. De GI benadrukt het belang van een stabiele opvoedsituatie met contact met beide ouders en wijst op de noodzaak van hulpverlening aan het kind en de ouders. De moeder weigert echter hulpverlening te accepteren, terwijl de vader geen hulpvraag ziet.
Na telefonische behandeling concludeert de kinderrechter dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van het kind en dat het belang van het kind vraagt om continuering van de uithuisplaatsing bij de vader. Het verzoek tot plaatsing in een jeugdhulpaccommodatie wordt afgewezen wegens gebrek aan concreet plan en onvoldoende onderbouwing. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling, met de verwachting dat de GI een concreet hulpverleningsplan opstelt en de opvoedsituatie nader onderzoekt.