De zaak betreft een geschil over de nalatenschap van mevrouw, waarbij de moeder haar zoon tot enige erfgenaam benoemde en de dochter onterfde. De dochter vordert onder meer inzage in de boedelbeschrijving en vaststelling van haar legitieme portie. De executeur verweert zich met het standpunt dat volledige informatieverstrekking afhankelijk is van medewerking van de dochter.
Na procedurele stappen en het leggen van beslag op de boedelwoning is een depotovereenkomst gesloten. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen tot het verstrekken van informatie en boedelbeschrijving komen te vervallen wegens het ontbreken van belang, omdat partijen inmiddels voldoende gegevens hebben uitgewisseld.
De kern van het geschil betreft de hoogte van de legitieme portie. De rechtbank stelt de waarde van de nalatenschap vast, inclusief woning, banksaldi, inboedel en auto, en beoordeelt welke giften en schulden in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij wordt onder meer geoordeeld dat bepaalde giften niet als bovenmatig worden aangemerkt en dat hypotheek- en makelaarskosten schulden van de nalatenschap vormen.
De legitieme portie wordt berekend op €68.590,25. De executeur wordt veroordeeld dit bedrag aan de dochter te betalen, alsmede de beslagkosten. Proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. In reconventie worden de vorderingen van de executeur afgewezen.