Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, de Dierenkliniek Rotterdam B.V., te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een betaling van 15,26% aan preferente en 7,63% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar arbeidsongeschiktheid en beperkte afloscapaciteit.
De Dierenkliniek verzette zich tegen het akkoord, stellende dat verzoekster een onjuist beeld gaf van haar financiële situatie en dat niet het maximale aan schuldeisers werd aangeboden. De rechtbank oordeelde dat de meerderheid van schuldeisers instemde, het voorstel deskundig was getoetst en verzoekster geen werk heeft vanwege arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verwierp het verweer dat verzoekster samenwoonde met de vader van haar kinderen die zou bijdragen aan de inkomsten. Gezien de stabiele situatie van verzoekster en het voordeel voor schuldeisers ten opzichte van een wettelijke schuldsaneringsregeling, woog het belang van verzoekster en instemmende schuldeisers zwaarder dan dat van de Dierenkliniek.
Daarom werd de Dierenkliniek bevolen in te stemmen met de schuldregeling, en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De kosten werden begroot op nihil en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.