ECLI:NL:RBROT:2020:4477
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing rechterlijke machtiging voortgezet verblijf bij Alzheimerpatiënt
Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf van een cliënt met de ziekte van Alzheimer in een verpleeghuis. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 mei 2020, waarbij de cliënt, zijn advocaat, een specialist ouderengeneeskunde en een verpleegkundige telefonisch werden gehoord vanwege COVID-19 maatregelen.
De rechtbank beoordeelde of het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn aandoening leidde tot ernstig nadeel dat alleen met een gedwongen opname kon worden afgewend. Uit de stukken en de zitting bleek dat de cliënt geen verzet bood tegen het verblijf en dat hij zijn woonplek prettig vond, hoewel hij zich wel opgesloten voelde en meer vrijheid wenste.
De rechtbank concludeerde dat de aandoening niet zodanig was dat een gedwongen opname noodzakelijk was om ernstig nadeel te voorkomen. Minder ingrijpende maatregelen waren mogelijk, waardoor het verzoek van het CIZ werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf is afgewezen omdat ernstig nadeel niet uitsluitend met gedwongen opname kan worden voorkomen.