De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2009, die sinds november 2019 in een netwerkpleeggezin verblijft wegens vermoedens van kindermishandeling en huiselijk geweld door de moeder.
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. De minderjarige krijgt in het pleeggezin de nodige structuur, aandacht en stabiliteit en volgt psycho-educatie om zijn zelfvertrouwen te verbeteren. Contact met de moeder veroorzaakt spanningen en terugval in gedrag, terwijl de moeder niet openstaat voor hulpverlening.
De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de uithuisplaatsing, stelt dat zij niet op de hoogte wordt gehouden en dat behandeling thuis mogelijk is. De kinderrechter oordeelt dat de veiligheid van het kind bij de moeder niet gewaarborgd kan worden en dat verlenging van beide maatregelen noodzakelijk is om de belangen en ontwikkeling van het kind te beschermen.
De beschikking is genomen zonder fysieke zitting vanwege de corona-maatregelen, waarbij partijen telefonisch zijn gehoord. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden verlengd tot 14 mei 2021, met het oog op het herstel van de relatie tussen moeder en kind en het waarborgen van een stabiele opvoedingssituatie.