ECLI:NL:RBROT:2020:4615
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voortzetting crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De officier van justitie verzocht op 4 mei 2020 om voortzetting van een crisismaatregel die op 2 mei 2020 was opgelegd aan betrokkene, geboren in 2002, die verblijft in een psychiatrische inrichting. De mondelinge behandeling vond plaats op 6 mei 2020, telefonisch vanwege COVID-19, waarbij betrokkene, haar advocaat, behandelaars en ouders werden gehoord. De officier verscheen niet ter zitting.
De rechtbank beoordeelde de aanvraag op grond van artikel 7:7 en Pro 7:8 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Er is vastgesteld dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, waaronder levensgevaar en ernstig lichamelijk letsel, veroorzaakt door een psychische stoornis (autisme spectrum stoornis en paranoïde persoonlijkheidsstoornis). Betrokkene was eerder opgenomen en vertoonde suïcidaal gedrag en automutilatie.
De rechtbank achtte de voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk, met verplichte zorgvormen zoals medicatietoediening, bewegingsbeperking, toezicht en opname in een accommodatie. Minder bezwarende alternatieven ontbraken en de zorgmaatregelen zijn evenredig en effectief. De machtiging geldt voor drie weken, tot en met 27 mei 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel met verplichte zorg voor drie weken.