De rechtbank Rotterdam heeft op 15 mei 2020 beslist over twee verzoeken van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West betreffende een minderjarige geboren in 2008. Het eerste verzoek betrof de verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar, het tweede verzoek de wijziging van de zorg- en omgangsregeling waarbij de omgang tussen de minderjarige en zijn moeder voor een jaar werd opgeschort.
De minderjarige woont bij de vader en heeft een hechtingsstoornis en PTSS als gevolg van traumatische gebeurtenissen en ernstige echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. De omgang met de moeder was begeleid maar werd in oktober 2019 stopgezet op advies van de begeleidende organisatie vanwege de negatieve impact op het kind. De ouders zijn niet in staat constructief samen te werken en de moeder verblijft in de woning van de vader, wat tot spanningen leidt.
De moeder was het niet eens met de opschorting van de omgang en wilde graag contact onderhouden, terwijl de vader en de gecertificeerde instelling de opschorting steunden vanwege de emotionele belasting voor het kind. De rechtbank oordeelde dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de behandeling van het kind en de ouders voort te zetten. De omgang met de moeder wordt opgeschort voor zes maanden, waarbij de vader de moeder minimaal eens per twee weken informeert over het kind en maandelijks een foto stuurt.
De rechtbank achtte een periode van zes maanden voldoende om de onderliggende problematiek te verminderen en het contact in de toekomst mogelijk te maken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.