De rechtbank Rotterdam behandelde op 15 mei 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het middelengebruik.
De procedure kende een schriftelijke fase met onder meer een medische verklaring, zorgplan en pleitnotities. Tijdens de mondelinge behandeling werden betrokkene en een GZ-agoog telefonisch gehoord vanwege COVID-19. De rechtbank oordeelde dat ondanks een overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van het verzoek, de officier ontvankelijk bleef omdat betrokkene niet in haar belangen werd geschaad.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door haar psychische stoornis, waaronder risico op lichamelijk letsel, maatschappelijke teloorgang en agressie. Vrijwillige zorg was onvoldoende haalbaar vanwege gering ziektebesef en medicatieontrouw. De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk, waaronder medicatietoediening en medische controles, met de mogelijkheid tot opname en bewegingsbeperking in crisissituaties.
Het zorgplan moest worden aangepast aan wettelijke eisen. De zorgmachtiging werd verleend voor zes maanden, met de mogelijkheid tot toepassing van aanvullende zorg onder strikte voorwaarden. Tegen deze beschikking staat cassatie open.