ECLI:NL:RBROT:2020:483

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
23 januari 2020
Zaaknummer
C/10/576091 / HA RK 19-701
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 21 RvArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring inzageverzoek procesdossiers op grond van AVG wegens misbruik van recht

Verzoeker heeft de Staat verzocht om inzage te verlenen in procesdossiers waarin hij als procespartij betrokken zou zijn geweest, met het oog op het bewijzen van zijn onschuld. De Staat heeft verweer gevoerd en betoogd dat verzoeker reeds beslissingen op soortgelijke verzoeken heeft ontvangen en dat het verzoek niet in deze procedure thuishoort.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij een inzageverzoek aan de Staat heeft gedaan en dat hij een antwoord daarop heeft ontvangen, waardoor niet inhoudelijk op het verzoek kan worden beslist. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het recht op inzage volgens artikel 15 AVG Pro niet zonder meer recht geeft op inzage in of kopieën van processtukken, maar op een begrijpelijk overzicht van persoonsgegevens.

Verder is vastgesteld dat verzoeker met het veelvuldig indienen van dergelijke verzoeken misbruik van recht maakt, omdat het inzagerecht wordt ingezet om onschuld te bewijzen en niet om persoonsgegevens te controleren. Daarom wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om inzage en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/576091 / HA RK 19-701
Beschikking van 21 januari 2020
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te Delft,
verzoeker,
verschenen in persoon,
en
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid,
meer in het bijzonder het Algemeen Bestuur van de rechtbank [naam rechtbank] ,
zetelende te [vestigingsplaats] ,
verweerder,
advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.
Partijen worden hierna [verzoeker] en de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.
Op 31 januari 2019 is ter griffie van de rechtbank [naam rechtbank] ingekomen een verzoekschrift, gedateerd 30 januari 2019, met producties 1 t/m 10.
1.2.
Bij beschikking van 21 mei 2019 heeft de kantonrechter van de rechtbank [naam rechtbank] de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar het team handel van de rechtbank [naam rechtbank] .
1.3.
Bij beschikking van 14 juni 2019 heeft de rechtbank [naam rechtbank] de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de rechtbank Rotterdam.
1.4.
Bij brief van 1 oktober 2019 heeft mr. Van Graafeiland zich namens de Staat gesteld.
1.5.
In tegenstelling tot haar brief van 1 oktober 2019 heeft mr. Van Graafeiland bij brief van 13 november 2019 gesteld dat zij zich uitsluitend namens de Staat heeft gesteld in de onderhavige zaak en in de zaken met zaak-/rekestnummers C/10/576071 / HA RK 19-693, C/10/576074 / HA RK 19-694, C/10/576079 / HA RK 19-696, C/10/576096 / HA RK 19-703 en C/10/576129 / HA RK 19-708.
1.6.
Op 2 december 2019 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verweerschrift met producties 1.1 t/m 2c.
1.7.
Eveneens op 3 december 2019 is bij deze rechtbank ingekomen een brief van [verzoeker] met bijlagen.
1.8.
Op 10 december 2019 is deze zaak bij deze rechtbank gelijktijdig mondeling behandeld op de openbare zitting met de bij deze rechtbank aanhangige verzoekschriftprocedures met zaak-/rekestnummers C/10/576071 / HA RK 19-693 C/10/576074 / HA RK 19-694, C/10/576079 / HA RK 19-696, C/10/576083 / HA RK 19-697, C/10/576085 / HA RK 19-698, C/10/576094 / HA RK 19-702, C/10/576096 / HA RK 19-703, C/10/576110 / HA RK 19-706, C/10/576126 / HA RK 19-707, C/10/576129 / HA RK 19-708, C/10/576131 / HA RK 19-709 en C/10/576134 / HA RK 19-710.
1.9.
Ten slotte is de beschikking bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1.
[verzoeker] verzoekt om bij beschikking de Staat te bevelen om aan [verzoeker] inzage te verlenen in procesdossiers waarin hij is betrokken. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de Staat niet onverwijld en niet binnen de in de Algemene verordening gegevensbescherming (EU) 2016/679 (AVG) genoemde termijnen na ontvangst van zijn verzoek, informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven, heeft verstrekt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] gesteld dat in de betreffende procesdossiers waarin hij is betrokken valsheden staan. Door verlening van inzage in die procesdossiers wenst [verzoeker] zijn onschuld te bewijzen.
2.2.
De Staat voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn verzoek, althans tot afwijzing van zijn verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. De Staat voert hiertoe aan dat de Staat reeds heeft beslist op de verzoeken van [verzoeker] . Evenmin heeft [verzoeker] gesteld en toegelicht waarom de inhoud van die beslissingen onjuist is. Bovendien behoren de verzoeken van [verzoeker] niet in deze procedure.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Uitgangspunt voor de beoordeling van elk civiel geschil is dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun verzoeken ten grondslag hebben gelegd. Partijen zijn daarbij op grond van het bepaalde in artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit brengt ook mee dat partijen de voor de beslissing belang zijnde stukken overleggen.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] dat niet gedaan. Zo zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [verzoeker] een verzoek tot inzage aan de Staat heeft gedaan en dat hij een eventueel antwoord van de Staat daarop heeft ontvangen. Onder deze omstandigheden kan niet inhoudelijk worden beslist op het verzoekschrift zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.
3.3.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in geval [verzoeker] wel ontvankelijk in zijn verzoek zou zijn geweest, het verzoek evenmin toewijsbaar zou zijn geweest.
3.4.
Het recht op inzage dat voorheen in artikel 12 van Pro de Privacyrichtlijn 95/46 was vastgelegd, is nu opgenomen in artikel 15 AVG Pro. Dit recht heeft tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn vastgelegd. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat onder de AVG de doelstelling en omvang van dit inzagerecht ten opzichte van de Privacyrichtlijn is gewijzigd, zodat rechtspraak over het inzagerecht die is gewezen ten tijde van de Privacyrichtlijn ook nog gelding heeft nu de AVG van kracht is.
3.5.
Artikel 15 lid 3 AVG Pro geeft recht op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Stukken als zodanig zijn geen persoonsgegevens en in de AVG wordt niet gesproken over het verstrekken van een kopie van de bescheiden waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. Het recht op inzage betekent dan ook niet dat de betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van de stukken of dossiers als zodanig als daarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Wel bestaat een recht op een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Voor zover daaraan kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te krijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan (HvJ 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081). In welke concrete materiële vorm de gegevens moeten worden verstrekt, is daarom afhankelijk van de concrete omstandigheden.
3.6.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij inzage verzoekt in procesdossiers die de rechtbank [naam rechtbank] dan wel de Staat met betrekking tot [verzoeker] heeft behandeld. De rechtbank begrijpt aldus dat inzage wordt verzocht in procesdossiers in zaken waarin [verzoeker] als procespartij betrokken was. Het verzoek zou, in geval van ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoek, niet voor toewijzing in aanmerking komen. De procespartijen in een gerechtelijke procedure beschikken zelf over een procesdossier met daarin de processtukken en afschriften van brieven in de betreffende zaak.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek evenmin voor toewijzing in aanmerking zou komen, omdat [verzoeker] met het veelvuldig indienen van verzoeken op grond van de AVG misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek maakt. Het inzagerecht heeft tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij de verzoeken uitsluitend heeft ingediend om zijn onschuld te bewijzen met stukken die betrekking hebben op procesdossiers waarin hij als procespartij betrokken was. Voor zover moet worden geconstateerd dat het doel dat [verzoeker] nastreeft geen betrekking heeft op het controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt, maar het te doen is om informatie te verkrijgen die hij wil gebruiken om in een eventueel tegen de Staat te starten procedure (nader) bewijs van zijn onschuld te kunnen leveren. Het doel van [verzoeker] bij zijn inzagerecht ziet niet op de bescherming van persoonsgegevens zodat sprake is van misbruik van recht.
3.8.
[verzoeker] zal, nu hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek wordt verklaard, worden veroordeeld in de proceskosten van de Staat. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op een bedrag van € 639,00 aan griffierecht en nihil aan salaris advocaat. Nu de Staat in de onderhavige zaak en in de zaken met zaak-/rekestnummers C/10/576071 / HA RK 19-693, C/10/576074 / HA RK 19-694, C/10/576079 / HA RK 19-696, C/10/576096 / HA RK 19-703 en C/10/576129 / HA RK 19-708 hetzelfde verweer heeft gevoerd, is in ieder geval in de zaak met zaak-/rekestnummer C/10/576071 / HA RK 19-693 één punt aan salaris advocaat toegekend. In de overige zaken, zoals in de onderhavige, wordt daarom geen punt aan salaris advocaat toegekend.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op
€ 639,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.
2897/676