De officier van justitie verzocht op 20 april 2020 om voortzetting van een eerder opgelegde crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die zich bevindt in een gesloten inrichting na een auto-ongeluk waarbij hij in verwarde en ontremde toestand reed.
Tijdens de mondelinge behandeling op 22 april 2020 werd betrokkene telefonisch gehoord samen met zijn advocaat en een arts in opleiding tot psychiater. De officier van justitie was niet aanwezig omdat nadere toelichting niet nodig werd geacht. Uit de medische verklaring en het getuigenis van de arts bleek dat betrokkene psychotische kenmerken vertoont en geen ziektebesef heeft, met een ernstig risico op levensgevaar en gevaar voor anderen.
De rechtbank stelde vast dat het gedrag van betrokkene voortkomt uit een manische episode met psychotische symptomen en dat de crisissituatie zo ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. De verplichte zorg omvat medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid, insluiting en toezicht. Betrokkene verzette zich tegen medicatie en opname in de separeerruimte, maar de rechtbank oordeelde dat hij onvoldoende bereid is tot vrijwillige zorg.
De rechtbank concludeerde dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig en effectief is en verleende de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel met een geldigheidsduur tot 13 mei 2020.