Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:5125

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 mei 2020
Publicatiedatum
11 juni 2020
Zaaknummer
C/10/596440 / FA RK 20-3358
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorgArtikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing rechterlijke machtiging tot voortzetting verblijf psychogeriatrische cliënt

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf van een cliënt met een psychogeriatrische aandoening in een verpleeghuis. De cliënt lijdt aan Alzheimer, wat leidt tot ernstig nadeel door risico op verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Uit de medische verklaringen en het zorgplan blijkt dat de cliënt 24-uurs begeleiding nodig heeft, wat in een ambulant kader niet mogelijk is.

Tijdens de mondelinge behandeling, die telefonisch plaatsvond vanwege COVID-19, werd de cliënt gehoord, die zich verzette tegen de voortzetting van het verblijf. Desondanks oordeelde de rechtbank dat aan de wettelijke criteria van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd) was voldaan: het gedrag van de cliënt leidt tot ernstig nadeel, voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden.

De rechtbank verleende daarom de machtiging voor een periode van zes maanden, tot en met 25 november 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf van de cliënt in het verpleeghuis wordt voor zes maanden toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/596440 / FA RK 20-3358
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 25 mei 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het Centrum Indicatiestelling Zorg,hierna: CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënt],
geboren op [geboortedatum cliënt] te [geboorteplaats cliënt] ,
hierna: cliënt,
wonende aan [adres cliënt] , [woonplaats cliënt] ,
thans verblijvende in verpleeghuis Waerthove te Sliedrecht,
advocaat mr. R.L.I. Jansen te Dordrecht.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 13 mei 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
 het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg d.d. 7 november 2019;
 de verklaring van J.P. Scholten, specialist ouderengeneeskunde, van 23 april 2020;
 de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 13 mei 2020;
 de verklaring van de zorgaanbieder Rivas Zorggroep, van de accommodatie waarin cliënt is opgenomen, van 8 mei 2020;
 het zorgplan van 8 mei 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 mei 2020. Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke Pro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:
 cliënt met haar hierboven genoemde advocaat;
 C.W.M. Snels, arts ouderengeneeskunde, verbonden aan Rivas zorggroep.

2..Beoordeling

2.1.
De rechter kan op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro.
De machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter het gedrag van een cliënt als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel. Daarnaast zijn de opname en het verblijf of voortzetting van het verblijf noodzakelijk om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.2.
Op 25 november 2019 is door de rechtbank een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz verleend tot en met 25 mei 2020.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer.
2.4.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het risico op ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Bij cliënt is sprake van een progressieve stoornis met desoriëntatie in tijd en plaats. In de thuissituatie heeft dit dwaalgedrag tot gevolg gehad, wat voor gevaarlijke situaties heeft gezorgd. Cliënt heeft op de afdeling veel sturing en begeleiding nodig om algemene dagelijkse levensverrichtingen te voldoen. In de thuissituatie was hierdoor sprake van slechte zelfzorg. Zo ging cliënt uit zichzelf niet douchen en droeg zij maanden dezelfde kleding. Cliënt heeft inmiddels 24-uurs begeleiding nodig, en in een ambulant kader is dit niet mogelijk.
2.5.
De voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wensen.
2.6.
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
2.7.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen voortzetting van het verblijf. Cliënt geeft iedere dag meermaals aan dat ze weg wil. Ook tijdens de zitting geeft ze aan dat ze weg wil en dat er naar haar idee niets aan de hand is met haar.
2.8.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.

3..Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van het verblijf ten aanzien van [naam cliënt] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 25 november 2020.
Deze beschikking is op 25 mei 2020 mondeling gegeven door mr. M.L.H. Gelauff, rechter, in tegenwoordigheid van C.D. van der Veeke, griffier, en op 28 mei 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.