De officier van justitie verzocht om voortzetting van een crisismaatregel die op 6 juni 2020 was opgelegd aan betrokkene, die zich in een crisissituatie bevond vanwege ernstig verward gedrag en een vermoedelijke psychotische stoornis. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juni 2020, telefonisch vanwege COVID-19, waarbij betrokkene en haar advocaat en de behandelend psychiater werden gehoord.
Uit de medische verklaring en de mondelinge behandeling bleek dat betrokkene een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel liep, waaronder risico op ernstig lichamelijk letsel en gevaar voor de veiligheid van betrokkene en anderen. Betrokkene was opgenomen na verward gedrag en fysieke mishandeling. De stoornis leek voort te komen uit een psychotische stoornis met mogelijk een somatische oorzaak.
De rechtbank achtte de voortzetting van verplichte zorg noodzakelijk, waaronder toediening van medicatie, medische controles, bewegingsbeperking, toezicht en opname. Minder ingrijpende maatregelen zoals insluiting en beperkingen op communicatie werden niet noodzakelijk geacht. Betrokkene verzette zich tegen de maatregel en ontkende een psychose, maar erkende depressie en paniekaanvallen.
De rechtbank concludeerde dat er geen minder bezwarende alternatieven waren en dat de verplichte zorg evenredig en effectief was. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor een periode van drie weken, tot en met 30 juni 2020.