Art. 6:4 WvggzArt. 5:4 lid 2 WvggzArt. 5:16 lid 1 Wvggz
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg wegens stabilisatie betrokkene
De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 juni 2020 een verzoek van de officier van justitie tot het opleggen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een psychotische stoornis en PTSS.
De advocaat van betrokkene voerde primair aan dat de officier niet-ontvankelijk was wegens overschrijding van de beslistermijn en een niet-actuele medische verklaring. De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat de wet geen sanctie verbindt aan de termijnoverschrijding en de actualiteit van de medische verklaring inhoudelijk moet worden beoordeeld.
Uit de medische stukken en de mondelinge behandeling bleek dat betrokkene inmiddels thuis verblijft met ambulante begeleiding en dat haar toestand gestabiliseerd is. De behandelaar gaf aan dat de zorgmachtiging niet langer noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.
De beschikking is op 4 juni 2020 mondeling gegeven en op 11 juni 2020 schriftelijk uitgewerkt. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen omdat betrokkene stabiel is en de machtiging niet langer noodzakelijk is.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/596837 / FA RK 20-3548
Betrokkenenummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 4 juni 2020 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende aan de [adres betrokkene] , [postcode betrokkene] te [woonplaats betrokkene] ,
advocaat mr. J.J. Boelaars te Rotterdam.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 19 mei 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door J. Bertens, psychiater, van 18 maart 2020;
de zorgkaart van 26 februari 2020;
het zorgplan van 18 februari 2020;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
het bericht dat er geen relevante politiegegevens of de strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met haar hiervoor genoemde advocaat.
[naam psychiater] , psychiater, verbonden aan Antes GGZ, is tijdens de mondelinge behandeling via een telefonische verbinding gehoord.
1.3.
De officier is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2..Beoordeling
2.1.
Ontvankelijkheid
De advocaat heeft namens betrokkene primair naar voren gebracht dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Zij voert ten eerste aan dat in artikel 5:16 lid 1 WvggzPro is bepaald dat de officier uiterlijk binnen vier weken na de mededeling op grond van artikel 5:4 lid 2 WvggzPro zijn beslissing aan partijen kenbaar dient te maken en dat dit dus uiterlijk in april had moeten gebeuren. Ten tweede voert zij aan dat de medische verklaring waarop het verzoek is gebaseerd niet actueel is omdat deze dateert van 18 maart 2020. De rechtbank overweegt als volgt. De precieze datum waarop de geneesheer-directeur door de officier is aangewezen, en waarvan betrokkene op grond van artikel 5:4 lid 2 moetPro worden geïnformeerd, staat niet vast. Duidelijk is evenwel dat dit kort na 6 maart 2020 had moeten gebeuren. Het is dan ook aannemelijk dat de termijn van artikel 5:16 lid 1 WvggzPro is overschreden. De wet verbindt echter geen consequentie aan het overschrijden van deze termijn. De rechtbank volgt de advocaat daarom niet in haar verweer dat een overschrijding van de termijn in dit geval zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier. De rechtbank betrekt daarbij dat niet duidelijk is gemaakt op welke wijze betrokkene, gelet op de aard van voorliggende procedure, door deze overschrijding is geschaad in haar belangen. De rechtbank volgt de advocaat evenmin in haar stelling dat de officier niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat de medische verklaring niet actueel is. De vraag of de medische verklaring voldoende actueel is, dient inhoudelijk te worden beoordeeld en is mede afhankelijk van de toelichting tijdens de mondelinge behandeling. Een dergelijk gebrek van de medische verklaring zal dan ook niet snel op voorhand kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier. Het voorgaande brengt mee dat de officier ontvankelijk is in zijn verzoek.
2.2.
Criteria zorgmachtiging
2.2.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis en PTSS.
2.2.2.
Betrokkene is opgenomen geweest tot en met 18 maart 2020 omdat sprake was van ernstig nadeel, voortkomend uit haar psychische stoornis. Inmiddels is het toestandsbeeld van betrokkene gestabiliseerd en verblijft zij thuis met ambulante begeleiding vanuit Antes. Het contact tussen betrokkene en haar ambulant behandelaren verloopt goed en haar toestandsbeeld is tot op heden stabiel. De behandelaar vertelt tijdens de mondelinge behandeling dat onderhavig verzoek al enige tijd geleden is ingediend, toen betrokkene nog opgenomen was. Nu het zo goed blijkt te gaan en betrokkene voldoende bereidheid heeft om mee te werken aan de ambulante begeleiding is de zorgmachtiging niet meer noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 4 juni 2020 mondeling gegeven door mr. D.Y.A. van Meersbergen, rechter, in tegenwoordigheid van C.D. van der Veeke, griffier, en op 11 juni 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.