ECLI:NL:RBROT:2020:5214

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2020
Publicatiedatum
14 juni 2020
Zaaknummer
8295093 CV EXPL 20-3673
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling huurachterstand en incassokosten bedrijfsruimten

De kantonrechter Rotterdam behandelde een zaak waarin eiser verhuurder was van twee bedrijfsruimten en gedaagde huurder. Gedaagde was in gebreke gebleven met de betaling van de huurpenningen tot en met mei 2019, met een totale achterstand van € 8.172,51. Eiser vorderde betaling van deze achterstand, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

Gedaagde erkende de huurachterstand maar stelde financiële problemen te hebben en verzocht om een betalingsregeling. De kantonrechter oordeelde dat financiële omstandigheden niet afdoen aan de betalingsverplichting en dat zonder instemming van de verhuurder geen betalingsregeling kan worden opgelegd.

De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen conform het toepasselijke Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente werd eveneens toegekend. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het volledige gevorderde bedrag en in de proceskosten.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8295093 CV EXPL 20-3673
uitspraak: 29 mei 2020
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders te Den Haag,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde: [gemachtigde] te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding van 27 januari 2020, met producties;
  • de aantekeningen van 4 februari 2020 van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;
  • de schriftelijke machtiging, op de griffie ontvangen op 10 februari 2020;
  • de rolbeslissing van 28 februari 2020;
  • de akte uitlating van 25 maart 2020 aan de zijde van [eiser] ;
  • de antwoordakte uitlating van 22 april 2020 aan de zijde van [gedaagde] .
1.2
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.
2.1
Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder zijn twee huurovereenkomsten voor bedrijfsruimte gesloten. De eerste huurovereenkomst is met ingang van 1 maart 2018 gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres 1] en de tweede huurovereenkomst is met ingang van 1 januari 2019 gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres 2] (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de bedrijfsruimten).
2.2
Uit hoofde van deze huurovereenkomsten is [gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling huurpenningen aan [eiser] verschuldigd, welke (laatstelijk) € 1.411,43 per maand voor de [adres 1] en € 2.000,00 per maand voor de [adres 2] bedragen.
2.3
[eiser] heeft de bedrijfsruimten verkocht, waardoor [gedaagde] de bedrijfsruimten met ingang van 1 juni 2019 niet meer van [eiser] huurt.

3..De vordering

3.1
[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 9.184,73 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand mei 2019, vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (nog openstaande) hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
Aan zijn vordering heeft [eiser] naast de vaststaande feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1
[gedaagde] is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de verschuldigde huurpenningen van de bedrijfsruimten en heeft berekend tot en met de maand mei 2019 een totale huurachterstand ten bedrage van € 8.172,51 laten ontstaan (waarvan een bedrag van € 6.000,00 met betrekking tot het adres [adres 2] en een bedrag van € 2.172,51 met betrekking tot het adres [adres 1] ).
3.2.2
Door de wanbetaling van [gedaagde] zag [eiser] zich genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Op 12 september 2019 en 7 januari 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] schriftelijk aangemaand. De gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 948,19 (inclusief btw) komen op grond van artikel 6:96 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor rekening van [gedaagde] .
3.2.3
Verder maakt [eiser] aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van € 64,03 aan vervallen rente berekend tot aan de dag van de dagvaarding.

4..Het verweer

4.1
[gedaagde] heeft de door [eiser] gestelde omvang van de huurachterstand erkend. [eiser] is niet akkoord gegaan met de door [gedaagde] voorgestelde betalingsregeling.

5..De beoordeling van de vordering

5.1
Bij akte van 22 april 2020 heeft [gedaagde] gesteld dat zij vanwege een teruglopende omzet in een financieel moeilijke situatie zit. Deze financiële omstandigheden, hoe vervelend ook, doen niet af aan de betalingsverplichtingen van [gedaagde] tegenover [eiser] . Nu [gedaagde] de omvang van de door [eiser] gestelde huurachterstand ten bedrage van in totaal € 8.172,51 heeft erkend, wordt van de juistheid daarvan uitgegaan. Als overigens op de wet gebaseerd wordt de door [eiser] gevorderde hoofdsom dan ook toegewezen.
5.2
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de vordering door middel van een betalingsregeling wil voldoen. Op grond van artikel 6:29 BW Pro kan [eiser] niet worden verplicht om in te stemmen met een betalingsregeling en is de kantonrechter zonder instemming van [eiser] niet gerechtigd om een betalingsregeling vast te stellen. Voor het (eventueel alsnog) treffen van een betalingsregeling met [eiser] wordt [gedaagde] dan ook verwezen naar (de gemachtigde van) [eiser] .
5.3
[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Derhalve is aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 948,19 toewijsbaar.
5.4
De gevorderde wettelijke rente wordt, als onweersproken en op de wet gegrond, toegewezen zoals onder het dictum staat vermeld.
5.5
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] veroordeeld.

6..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 9.184,73 aan achterstallige huur berekend tot en met mei 2019, buitengerechtelijke incassokosten en vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro over € 8.172,51 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 341,09 aan verschotten en € 450,00 (anderhalf punt à € 300,00) aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44485