Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:5281

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
FT EA 20-479
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetFaillissementswet 284Faillissementswet 287a
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord wegens weigering schuldeiser in faillissementszaak

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij zij een percentage van de vorderingen tegen finale kwijting zou betalen. Achttien van de negentien schuldeisers stemden in met de regeling, maar Arvato weigerde dit. De rechtbank heeft op basis van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de coronacrisis (TARIC) de zaak zonder fysieke zitting behandeld.

De rechtbank stelde vast dat Arvato de enige schuldeiser is die zich tegen het akkoord verzet en dat haar vordering slechts 0,56% van de totale schuldenlast bedraagt. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en goed gedocumenteerd. Verzoekster ontvangt een WW-uitkering en staat onder beschermingsbewind, waardoor het risico op nieuwe schulden gering is.

De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder weegt dan dat van Arvato. De toepassing van het dwangakkoord levert een beter resultaat op dan een schuldsaneringsregeling. Daarom werd Arvato bevolen in te stemmen met de schuldregeling en werd het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt Arvato in te stemmen met de schuldregeling en wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 29 mei 2020
in de zaak van:
[naam 1],
wonende te [adres, postcode en woonplaats]
,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 21 april 2020, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • DirectPay Services B.V. namens Arvato Finance B.V. (hierna: Arvato);
  • International Card Services B.V. (hierna: ICS);
  • Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (hierna: SVHW);
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
ICS heeft voorafgaande aan de zitting, bij e-mail van 8 mei 2020, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Coronacrisis (hierna: TARIC) geen fysieke zitting plaats doen vinden.
Op 18 mei 2020 zijn verzoekster, [naam 2] , werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland (hierna: schuldhulpverlening) en [naam 3] , werkzaam bij Budget- en Beschermingsbewind Zuid-Hollandse Eilanden B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder), telefonisch gehoord.
Arvato en SVHW hebben, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, geen reactie aan de rechtbank doen toekomen en zijn derhalve ook niet telefonisch gehoord.
Ter telefonische zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat het SVHW op 18 mei 2020 aan haar kenbaar heeft gemaakt dat verzoekster geen enkele vordering (meer) heeft openstaan. Schuldhulpverlening heeft tijdens de telefonische zitting toegezegd om per ommegaande een afschrift van de correspondentie tussen SVHW en schuldhulpverlening hierover aan de rechtbank te doen toekomen. Op 20 mei 2020 heeft schuldhulpverlening het bedoelde bericht doorgezonden aan de rechtbank.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift negentien schuldeisers, waarvan één preferente en achttien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 15.903,23 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 3 oktober 2019 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 13,36 % aan de preferente schuldeiser en 6,68 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit is gebaseerd op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Verzoekster solliciteert actief naar betaald werk. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
Achttien schuldeisers hebben met de aangeboden schuldregeling ingestemd, althans verzetten zich niet tegen de regeling. Arvato stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 89,92 op verzoekster, welke 0,56 % van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Arvato heeft niet gereageerd op het aangeboden akkoord.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Arvato geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Arvato bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Arvato in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat SVHW, conform haar bericht van 20 mei 2020, niet langer een vordering heeft op verzoekster.
Dit betekent dat Arvato de enige resterende schuldeiser is die zich tegen de aangeboden regeling verzet. De vordering van Arvato vormt een gering aandeel in de totale schuldenlast van (thans) 0,56 %.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Schuldbemiddeling Nederland. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster op dit moment in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster ontvangt een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en solliciteert daarnaast actief naar werk. Omdat de aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage, zal de afloscapaciteit jaarlijks worden bijgesteld indien daar aanleiding toe is.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan de waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekster staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.
Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Arvato, die als enige schuldeiser geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Arvato te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Arvato zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeiser. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Arvato om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Arvato in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.