Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2020:5283

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
FT EA 17-1862
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende verwijtbaarheid

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van schuldenares, uitgesproken bij vonnis van 22 november 2017. De bewindvoerder had de rechter-commissaris verzocht tot beëindiging, die hiermee op 11 maart 2020 instemde. De rechtbank hield een telefonische zitting op 11 mei 2020.

De rechtbank stelde vast dat schuldenares niet aan enkele verplichtingen uit de regeling had voldaan, zoals de aanvullende sollicitatieverplichting sinds juni 2019, het ontbreken van bepaalde stukken en een boedelachterstand van €441,23. Echter, schuldenares werkt 32 uur per week en uit een begeleidingsverslag bleek dat meer inspanning niet haalbaar is vanwege beperkte begeleidingsuren en haar behoefte aan ondersteuning.

De rechtbank oordeelde dat de tekortkoming in de sollicitatieverplichting niet aan schuldenares kan worden verweten en dat deze onvoldoende grond vormt voor tussentijdse beëindiging. Ook de overige tekortkomingen rechtvaardigen geen beëindiging. Schuldenares kan zich voor eventuele vrijstelling van de sollicitatieverplichting tot de rechter-commissaris wenden. De rechtbank weigerde daarom de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: De rechtbank weigert de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende verwijtbaarheid van tekortkomingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
weigering tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 8 juni 2020
Bij vonnis van deze rechtbank van 22 november 2017 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[naam 1],
[adres, postcode en woonplaats]
,
schuldenares,
bewindvoerder: [naam 2] .

1.De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 11 maart 2020 met dit verzoek ingestemd.
De bewindvoerder en schuldenares
,bijgestaan door haar beschermingsbewindvoerder [naam 3] , zijn telefonisch gehoord op 11 mei 2020 conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis). De behandeling is vervolgens pro forma aangehouden. Het proces-verbaal van de gemaakte afspraken is aan partijen toegestuurd.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De standpunten

Voor de standpunten van de rechter-commissaris, de bewindvoerder en schuldenares verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

3.De beoordeling

Aan de orde is of de schuldsaneringsregeling van schuldenares tussentijds moet worden beëindigd, vanwege het niet naar behoren nakomen van de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen (artikel 350 lid 3 sub c Fw Pro).
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenares één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Schuldenares werkt namelijk 32 uur per week, maar heeft sinds juni 2019 niet voldaan aan haar aanvullende sollicitatieverplichting. Daarnaast ontbreekt een aantal stukken en heeft schuldenares een boedelachterstand van € 441,23 laten ontstaan.
Als maatstaf voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c Fw Pro heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de tekortkoming van schuldenares een duidelijke aanwijzing vormt dat bij schuldenares de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Daarin ligt besloten dat vereist is dat schuldenares een verwijt kan worden gemaakt. Door schuldenares en haar begeleider van [naam instelling] zijn omstandigheden aangevoerd waardoor de rechtbank van oordeel is dat haar ten aanzien van het niet naar behoren nakomen van de aanvullende sollicitatieverplichting geen verwijt kan worden gemaakt. Schuldenares werkt 32 uur per week. Uit het verslag van haar begeleider van [naam instelling] blijkt dat meer inspanning feitelijk niet haalbaar is, ook vanwege de beperkte begeleidingsuren. Schuldenares heeft veel begeleiding nodig om overzicht te houden in haar leven.
Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de tekortkoming in de sollicitatieverplichting niet aan schuldenares kan worden verweten en geen grondslag vormt om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit het oordeel betreft ten aanzien van de sollicitatieverplichting in de periode vóór de datum van deze uitspraak; ten aanzien van de vraag of schuldenares voor het vervolg van de schuldsaneringsregeling gedeeltelijk vrijgesteld kan worden van de sollicitatieverplichting zal schuldenares zich tot de rechter-commissaris moeten wenden.
De thans nog resterende tekortkomingen in de informatie- en afdrachtverplichting rechtvaardigen op dit moment geen tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

4.De beslissing

De rechtbank:
- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2020. [1]
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen